Grijze Geuzen Hasselt

Vrij, vrijzinnig en gastvrij

Varia

Tom Hannes: Lucretius blijft inspireren

Volgens de online Van Dale betekent het woord epicurisme ‘genotzucht’. Dat is niet eerlijk. Maar wel typisch voor de reputatie van die filosofische leer. Al in de eerste eeuw voor Christus kreeg de Romeinse schrijver Lucretius het daarvan op zijn heupen. Hij schreef een tekst om de eer van de leer te redden: De rerum natura (Over de aard der dingen). Van Lucretius zelf weten we zo goed als niets, maar zijn Rerum staat geboekstaafd als een literair en filosofisch meesterwerk. In 7.400 briljante verzen geeft het de epicurische visie weer op psychologische, natuurkundige, religieuze en morele zaken. Het is zo imponerend dat na de dood van Lucretius niemand minder dan Cicero, nochtans publiek een vijand van zijn filosofie, de tekst postuum liet publiceren.

Waarom gruwen de klassieken zo van de epicuristen? Omdat ze atomisten zijn. En omdat ze verklaren alleen maar genot na te streven. Atomisten zien de wereld niet als het toneel van een goddelijk plan, maar als een schouwspel van toevallig botsende atomen. De botsingen vormen weliswaar indrukwekkende structuren en organismes, maar die komen louter tot stand door natuurlijke omstandigheden. Ze ontstaan, veranderen en keren terug naar de atomenzee. In zo’n absurde wereld, stellen de epicuristen, betekent ‘een goed leven leiden’ niets anders dan genot nastreven.

Zoiets poneren is om problemen vragen. Vooral in het toenmalige Rome. Een conservatieve tendens trok door de republiek en in die kringen werd het epicurisme met even grote huivering bekeken als mei ’68 door onze hedendaagse conservatieven: als een nihilistisch relativisme dat door losbandig genotzucht te prediken de geesten verzwakt en de maatschappij vernietigt.

Maar met losbandigheid heeft het epicurisme niets te maken. Het pleit net voor een gedisciplineerd, haast ascetisch onderzoek naar de precieze voorwaarden van menselijk genot in de absurde wereld. Epicuristen doorprikken valse geluksbeloften –zoals overdaad en luxe. Dat is in onze tijden, waarin consumptie van verslavende producten gezien wordt als een uiting van persoonlijke vrijheid, geen gemakkelijke boodschap. Maar het klopt wel: hoe eenvoudiger je leven, des te makkelijker je ervan kunt genieten. Vrijwillige eenvoud, welteverstaan. Want opgelegde karigheid voelt alleen bitter. Daarom werken austerity politics nooit.

Andere valse beloften worden geleverd door religieuze en culturele tradities. Ronkende concepten als een goddelijk plan, offergaven, een ziel, een hiernamaals, glorieuze wapenfeiten en nationale eer beloven misschien wel waardigheid en geluk. Ze dreigen in elk geval met het allerergste als aan hun status wordt getornd. Maar Lucretius toont in talloze voorbeelden aan hoeveel miserie wordt voortgebracht onder het mom van zulke verheven idealen. Niet het epicurisme, is zijn besluit, maar het conservatisme vormt een nihilistisch gevaar. Het verzuurt het leven zwaar en vooral nodeloos.

Lucretius hamert op die boodschap. Er is dan ook een zekere urgentie aan verbonden. In zijn tijd evolueerde Rome razendsnel van een republiek naar een keizerrijk. Weinig later riep Augustus zichzelf uit tot goddelijk keizer. De conservatieve Romeinse waarden van pietas (vroomheid) en maiestas (grootsheid) worden luidop beleden, maar Augustus was net zo goed de man die de gladiatorenspelen populariseerde om het volk te sussen. Bij de dichter Vergilius bestelde hij de Aeneis, een nationalistisch epos over de goddelijke afkomst van Rome.

De rerum natura is daarmee niet alleen een filosofisch traktaat. Het is ook een poging om de Romeinse maatschappij te redden van een opkomende autocratische ideologie die eerder conservatieve ondeugden belichaamt dan conservatieve waarden. En ook daarin raakt Lucretius vandaag een snaar. Vanzelfsprekend is onze politieke situatie niet zomaar te vergelijken met de zijne. Gladiatorenspelen promoten is wat anders dan cultuurprijzen uitreiken aan Studio 100. En Vergilius de Aeneis laten schrijven is niet hetzelfde als een media-imperium opbouwen dat de ‘juiste’ politieke boodschap verspreidt. Maar het proces en de marsrichting zijn gelijkaardig.

In zijn tijd is Lucretius erin geslaagd een weergaloos filosofisch werk te schrijven dat tot vandaag kan inspireren. Maar de autocratische zwenking van Rome heeft hij niet kunnen verijdelen. Daarom zou ik hem in deze paasperiode een verrijzenis toewensen. Een beetje misschien om iets over hem te weten te komen. Maar veel meer om zijn hulp te krijgen tegen onze hedendaagse autocratische zwenking. Want voorlopig klinken de politieke en filosofische tegenstemmen daarin ontstellend zwakjes.

Bron: De Standaard.


Historicus Nico Wouters: ‘De Holocaust is een vorm van religie aan het worden

Onze geschiedenis is nooit helemaal verleden tijd. Vorig jaar vierde het hele land ’75 jaar Bevrijding’ en ook dit jaar zal de Tweede Wereldoorlog alomtegenwoordig blijven. In 2020 is het immers 75 jaar geleden dat de atoombom viel op Hiroshima en Nagasaki, dat in Potsdam Stalin, Churchill en Truman de kaart voor de Koude Oorlog tekenden, dat de gruwel van de concentratiekampen aan het licht kwam en dat Hitler zelfmoord pleegde. Tegelijk is het 80 jaar geleden dat nazi-Duitsland de Lage Landen en Frankrijk binnenviel, en dat Winston Churchill en Charles De Gaulle aan de macht kwamen. Het wordt dus opnieuw een druk jaar voor de historici van de Tweede Wereldoorlog, en zeker voor het CegeSoma, het ‘Belgisch expertisecentrum voor de geschiedenis van de conflicten in de twintigste eeuw’, dat deel uitmaakt van het Rijksarchief.

Nico Wouters, die sinds 2017 aan het hoofd staat van de wetenschappelijke instelling, ziet een aantal ontwikkelingen met lede ogen aan: ‘Het idee leeft dat wij inmiddels zo goed als alles weten over de Tweede Wereldoorlog. Vandaar dat het nu onze voornaamste taak zou zijn om lessen te trekken uit die oorlog: wat was goed en wat was fout? Het lijkt haast de essentie geworden van geschiedenisonderzoek: herdenken vanuit een moreel perspectief, werken met een kader van goed of fout.’

Dient de studie van de geschiedenis dan niet om het heden beter te begrijpen? Zijn er geen lessen te trekken uit het verleden?

Nico Wouters: Er valt uiteraard uit het verleden veel kennis te halen. En kennis van de historische context geeft ons inzicht in het heden. Hoe werken netwerken van de macht? Hoe bevechten sociale groepen hun plaats in het maatschappelijke veld en hoe kunnen ze die ook weer verliezen bijvoorbeeld? Maar dat is iets heel anders dan morele lessen trekken. Helaas is vandaag het morele en dus ook het politieke gebruik van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog aan de orde van de dag. Voortdurend krijgen we te horen dat historici lessen moeten trekken uit het verleden om maatschappelijk relevant te zijn. Terwijl historici wetenschappers zijn en dus kritische afstandelijkheid
moeten bewaren, ze moeten niet meehollen met de waan van de dag. Historici zijn alleen maatschappelijk relevant als ze wetenschappelijk relevant blijven.

Na de brand in het asielcentrum in Bilzen schreef de Antwerpse rector Herman Van Goethem: ‘De pyromanen van de jaren dertig zijn terug van weggeweest.’ U reageerde in een opiniestuk: ‘Parallellen met de jaren dertig zijn een slechte raadgever.’

Wouters: Met alle respect voor Herman, ik vond het te gemakkelijk om een aantal voor de hand liggende gelijkenissen met de jaren dertig op te sommen. Je hoeft geen doctor in de geschiedenis te zijn om vast te stellen dat er toen sprake was van nationalisme en populistische retoriek en dat we daar vandaag opnieuw mee te maken hebben. Wie naar parallellen zoekt, dreigt de soms belangrijkere verschillen te missen. Als de democratie in West-Europa ooit ten onder gaat, zal dat níét opnieuw door mannen in bruine hemden zijn. Onze samenleving is volstrekt anders dan die van de jaren dertig, de internationale context ook, dus ook de bedreigingen voor onze democratie zijn vandaag anders dan toen. Wie zich fixeert op gelijkenissen met vroeger, blijft vaak blind voor de echte gevaren.

Maar is het niet de taak van de historicus om met voorbeelden uit de geschiedenis te waarschuwen voor wat ‘slecht’ is?

Wouters: Het gebruik van de geschiedenis voor zo’n morele herinneringsplicht is een gevaar aan het worden. Het draagt vaak bij tot polemiek. Wie tot andere historische conclusies komt, dreigt moreel ‘fout’ te worden. Wie de parallellen met de jaren dertig nuanceert, is plots verdacht ‘rechts’. Kritische historici worden weggezet als negationisten. Zoiets is Christophe Busch overkomen, de directeur van Kazerne Dossin. Je kunt Busch toch onmogelijk verdenken van een foute agenda?

Christophe Busch kwam als directeur in conflict met de raad van bestuur van Kazerne Dossin, het Mechelse museum voor genocides in het algemeen en de Holocaust in het bijzonder.

Wouters: Kazerne Dossin wil een wetenschappelijk centrum zijn. Daarom is er naast een politiek samengestelde raad van bestuur en een directie ook een wetenschappelijke raad, samengesteld uit historici. Plotseling begint die raad van bestuur inhoudelijke beslissingen te nemen, tégen de directeur in en zonder de wetenschappelijke raad te raadplegen. De boodschap is duidelijk: ‘Niet de historici maar wij beslissen hoe wordt omgegaan met de geschiedenis, en wat goed en fout is.’ Het toont nog maar eens aan hoezeer de slinger doorgeslagen is en we in een ver doorgedreven politisering van het verleden terechtkomen.

U bent zelf lid van de wetenschappelijke raad van Kazerne Dossin. Een ander lid, de Gentse historicus Bruno De Wever, heeft al gedreigd met ontslag.

Wouters: Op 16 januari is er een vergadering van de wetenschappelijke raad, de eerste sinds het ontslag van Bush in november vorig jaar. Ik heb één vraag: ‘Wat zitten wij hier nog te doen?’ Die zaak is ook voor mij een probleem, want op die manier kan ik niet functioneren. Ik pas ervoor om als schaamlapje voor het politieke beleid
te dienen. Anno 2020 is de bewegingsruimte van academische experts in Vlaanderen uiterst beperkt. Wij mogen maar één richting uit kijken: die waarnaar de politiek wijst. Bij een gevoelig historisch thema als de Holocaust is die druk zelfs uitgesproken.

Veel draait rond de ‘uniciteit’ van de Holocaust: was de uitroeiing van de Europese Joden een uniek feit in de wereldgeschiedenis, of hebben er ooit nog vergelijkbare genocides plaatsgevonden?

Wouters: Ik mag het niet hardop zeggen, maar de Holocaust is een vorm van religie aan het worden. Dat is een gevaarlijke evolutie. Het is een onbedoeld gevolg van de manier waarop de erfenis van de Tweede Wereldoorlog al vele jaren lang opnieuw is gepolitiseerd. Rond de Holocaust is er een zeer instrumenteel beleid ontwikkeld, met veel herinneringseducatie. Na de Zwarte Zondag in 1991 besloot men onze jongeren bij duizenden Auschwitz, Breendonk of Kazerne Dossin te laten bezoeken. Dan zouden ze allemaal antiracisten worden en nooit meer op antidemocratische partijen stemmen. Die aanpak heeft dus niet gewerkt. Begrijpelijk: als je wilt vermijden dat er opnieuw een dictatuur komt die
zich bedient van een gedachtepolitie, doe je dat bij voorkeur níét door eenzijdig van bovenaf morele lessen op te leggen.

Wat moeten we dan wel doen?

Wouters: Ik ben voor een onderwijs dat opnieuw oog heeft voor historische context en kennisoverdracht. Kennis van het verleden leidt jongeren op tot burgers die zelf durven denken en aangereikte feiten en gegevens met kritische blik onderzoeken. Dat is een veel beter middel om ons democratisch weefsel te versterken dan moralistisch geïnspireerde bezoekjes aan een concentratiekamp.

Een rechter heeft Kamerlid en Schild & Vrienden- stichter Dries Van Langenhove gestraft met een verplicht bezoek aan Kazerne Dossin.

Wouters: Die straf is wellicht met de beste bedoelingen uitgesproken, maar het is een zeer naïeve kijk op hoe je geschiedenis zou kunnen gebruiken om iemand op te voeden tot democraat.

De regering-Jambon wil de geschiedenis ook bijsturen door een Vlaamse canon op te stellen en een Museum voor de Vlaamse geschiedenis te bouwen.

Wouters: De canon is inderdaad het zoveelste voorbeeld van de politieke instrumentalisering van de geschiedenis. Alleen was er een pavlovreactie bij historici om tégen de canon te zijn. Waarom? Dat voorstel ligt toch in de lijn van wat al twintig jaar gebeurt? Ik vind een canon uiteraard geen goed idee, maar de reactie erop leek me behoorlijk overtrokken. Als het initiatief er komt, moeten wij historici meewerken aan het opstellen van die lijst.

Nederland heeft in 2006 zo’n canon samengesteld. Dit jaar eiste de nieuwe minister van Cultuur aanpassingen aan de lijst.

Wouters: In Nederland gaan ze inderdaad nog verder met het onder druk zetten van historici. Er mag blijkbaar zelfs niet meer vrijuit geschreven en gesproken worden over de Gouden Eeuw en de slavenhandel. Historici krijgen zowaar het verwijt dat ze te veel proberen te weten en te begrijpen: voor de motieven van ‘daders’ moeten we niet te veel begrip willen opbrengen, toch’? Een aantal vragen mag je blijkbaar niet meer stellen, want dan ben je ‘immoreel’. Daar wil ik een vuist tegen maken. Nogmaals: ik pas voor geschiedschrijving als een vorm van moreel opstel waarin de historische feiten en de geschiedkundige context naar de marge worden geduwd.
Ook in België zullen historici de volgende twintig, dertig jaar veel meer aandacht hebben voor het koloniale verleden. We kunnen dus maar beter nu al krijtlijnen trekken en afspreken dat er in het vrije academische onderzoek geen morele a priori’s mogen zijn. Anders hoeven we niet eens te beginnen aan dat onderzoek van het koloniale verleden. Waarom zouden we al die archieven nog doorploegen, alleen om uitgescholden te worden voor neokolonialen of zelfs racisten?

Anders dan in België bestaat er in Nederland een soort ‘nationale geschiedenis’, ook over de Tweede Wereldoorlog. Wijlen Loe de Jong, de auteur van het 12-delige standaardwerk Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, was zowat de officiële geschiedschrijver des vaderlands.

Wouters: Het Nationaal Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) werd opgericht de dag na de bevrijding van Nederland. Bij ons wilden de politieke partijen in 1945 de Tweede Wereldoorlog zo snel mogelijk vergeten. Geloof het of niet: men wilde die pagina omslaan en doen alsof de Tweede Wereldoorlog nooit had plaatsgevonden.
Pas in 1967 werd in Brussel het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog opgericht, de voorloper van het Cegesoma. De archieven moesten dringend worden verzameld, ook die van oorlogsmisdadigers. Op dat moment was het eigenlijk al te laat. Na een groot collectief conflict als een oorlog moet men zo snel mogelijk de basisinformatie centraal verzamelen en veiligstellen. Dat is bijvoorbeeld na de Duitse eenmaking gebeurd met de Stasi-archieven. In België is dat niet gebeurd, ook bij latere gebeurtenissen niet. Zo zijn na de eenmaking van de politie veel oude archieven zoek geraakt. Archiefontsluiting is in België nog altijd kind van de rekening.
In de jaren vijftig en zestig had elke zuil en elke ideologische stroming in dit land zijn eigen geschiedenis ontwikkeld. De beeldvorming over de Tweede Wereldoorlog was dus al vastgelegd, terwijl het historisch onderzoek nog moest beginnen. Dat is de reden waarom er nog zo veel clichés over de oorlog leven. Al ligt dat soms ook aan onszelf. Mijn boek over de oorlogsburgemeesters is haast onleesbaar. Ik hoop dat Koen Aerts mij vergeeft, maar zijn doctoraat over de nawerking van de repressie is dat ook. Alleen is zijn onderzoek bijzonder relevant. Koen toont onweerlegbaar aan dat de zwaarst veroordeelde collaborateurs in de praktijk veel minder streng zijn bestraft dan lijkt uit de tekst van de vonnissen. Maar dat inzicht is in Vlaanderen amper doorgedrongen.

‘De idealistische collaborateur’ is nog altijd het beeld dat in brede kringen leeft.

Wouters: Welja. Iemand als Bart Maddens kan vandaag opnieuw doodleuk zeggen dat ‘collaborateurs eigenlijk goede Vlamingen waren die door de Duitsers werden misleid’ en door de anti-Vlaamse repressie zijn gestraft. Dan zie je toch dat die oude beeldvorming en het ‘eigen gelijk’ nooit echt zijn weggeweest, ondanks decennialang academisch onderzoek.

Maddens is hoogleraar aan de faculteit politieke wetenschappen van de KU Leuven.

Wouters: Vanaf de jaren zestig wilden historici bewijzen dat ze au-dessus de la mêlée stonden en niet meer aan het handje liepen van partijen, politici, zuilen of bewegingen. Daardoor ontstond zelfs een soort consensus onder Belgische historici, die heeft geduurd tot de jaren negentig, zeg maar: tot de generatie van Bruno De Wever. Historici hebben nog altijd niet de gewoonte om echt te discussiëren. Onze academische cultuur is te veel een consensuscultuur gebleven. We moeten weer scherper voor elkaar durven te zijn. De meeste van onze studies en boeken bereiken een veel te beperkte kring, ook omdat er zo weinig debat over de inhoud is.
Samen met een aantal collega’s schreven we in 2007 in opdracht van de Senaat Gewillig België, een kanjer van een boek van meer dan duizend pagina’s over de Jodenvervolging. Het bevat een schat aan informatie en zit vol nieuwe inzichten, maar niemand leest zo’n studie. En helaas lijkt geen enkele tv-zender nog bereid daarvan een documentaire te maken. Op tv moet het altijd over ‘vandaag’ gaan. Ook zogenaamde historische programma’s moeten antwoord bieden op vragen van nu, het moet over gewone mensen gaan, en zeker niet over de economie of over het bestuur van tachtig jaar geleden.

In alle eindejaarslijstjes was er heel wat waardering voor Kinderen van de collaboratie en Kinderen van het verzet. U kunt de impact daarvan toch niet onderschatten?

Wouters: Natuurlijk is met die reeksen fantastisch werk geleverd, en Koen Aerts heeft voor een uitstekende wetenschappelijke begeleiding gezorgd. Toch blijf ik erbij: ‘Kinderen van’ gaat níét over geschiedenis. Het zijn getuigenissen van mensen die vertellen hoe ze het verleden hebben beleefd. Het gaat over emoties, over
hun persoonlijke omgang met het verleden. Zuiver historische documentaires over het verzet, de collaboratie of de koningskwestie zijn haast niet meer mogelijk. Straks komen ‘de kinderen van de Holocaust’, maar een degelijke reeks over de Jodenvervolging is er niet. Dat is het fundamentele verschil met de tv-reeksen van Maurice De Wilde in de jaren tachtig. Met alle kritiek die op zijn aanpak en zijn historische methode te maken is, De Wilde was uniek omdat hij cutting edge nieuw
historisch onderzoek op de beeldbuis gooide en miljoenen Vlamingen met zijn bevindingen confronteerde. Dat krijg je vandaag aan Canvas niet meer verkocht.

Is de minimale slagkracht van de Belgische historici ook een zaak van te weinig middelen?

Wouters: Natuurlijk. In ons land beschikt het historisch onderzoek en vooral de archiefontsluiting over uitermate bescheiden budgetten. Er ligt nog kilometers aan archieven te wachten op digitalisering. Maar daarvoor hebben wij de mensen en de middelen niet, en dus gaat het allemaal veel te traag. Als ik dan zie hoeveel geld er bij ’75 jaar Bevrijding’ voorhanden was voor klank- en lichtspelen en historische optochten en reenactments, dan vraag ik me af wat eigenlijk belangrijk is. Ik heb niets tegen die feesten. Maar slechts een paar procenten van dat geld zou het onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog voor de volgende tien jaar een geweldige boost hebben gegeven. Had men bij wijze van spreken vorig jaar één tank geschrapt uit een van die herdenkingsstoeten, dan was er geld voor het echte historisch onderzoek.

Indien u meer geld had, in welk onderzoek zou u dan investeren?

Wouters: Veel boeken wachten om geschreven te worden. Er is nog geen wetenschappelijk overzichtswerk over het verzet in Vlaanderen, geen standaardwerk over de Duitse bezetter, geen sociale geschiedenis van de oorlogsjaren. We hebben nog altijd geen goed, omvattend basiswerk over de koloniale geschiedenis van
Congo. We weten ook nog altijd niet precies wie onder de Duitse bezetting de verplichte tewerkgestelden waren: boeren, jongeren of arbeiders? Hetzelfde geldt voor politieke gevangenen en krijgsgevangenen. We werken ook nog vaak met ‘gangbare cijfers’ die in de historische literatuur voortdurend terugkeren, maar waarvan niemand weet of ze juist zijn. Ook dat moet dringend onderzocht. Vandaar dat ik het spijtig vind dat er nog elke week boeken verschijnen over de Tweede Wereldoorlog die vaak een herhaling zijn van andere boeken.

Voor de vuist weg: Ik ontsnapte uit Auschwitz, Vrijwillig naar Auschwitz, Auschwitz 13917: hoe ik de concentratiekampen overleefde, De apotheker van Auschwitz, De bibliothecaresse van Auschwitz, De tatoeëerder van Auschwitz…

Wouters: (glimlacht) U mag hier eigenlijk niet om lachen. Natuurlijk, het is niet slecht dat er voor dit onderwerp aandacht bestaat. Voor mij mag die spektakelmusical van Studio 100 over de Tweede Wereldoorlog best 650.000 mensen trekken. Alleen blijven essentiële historische werven braak liggen omdat daarvoor geen geld is. Soms bekruipt me het gevoel dat Vlaanderen niet zit te wachten op historici die hun rol willen spelen. Bruno De Wever en ik zeggen al vijf jaar dat we dat werk over het verzet in Vlaanderen gaan schrijven. Maar het komt er maar niet van. We hebben allebei zo veel werk dat het schrijven van boeken een bezigheid is voor onze vrije tijd. Ik wil niet klagen. Ik schrijf in de trein, daar ben ik intussen bedreven in. Maar het blijft hobbyisme, rommelen in de marge.

Nico Wouters

  • 1972 Geboren in Essen
  • 2004 Doctor in de geschiedenis (UGent) – 2004-2006 Onderzoeker CegeSoma
  • 2006-2011 Erfgoedbeleidscoördinator Mechelen
  • 2011-2017 Hoofd Onderzoek CegeSoma
  • 2017-heden Hoofd CegeSoma
  • 2014-heden Gastprofessor Universiteit Gent
  • 2015-heden Honorary Fellow University Kent
    Was (co-)auteur of editor van boeken als: Oorlogsburgemeesters (2004), De Führerstaat (2007), Gewillig België (2007), Transitional Justice and Memory in Europe (2014), Nations, Identities and the First World War (2018)

Bron: Knack.


Langer (gezond) genieten

Naarmate je ouder wordt, sta je voor heel wat nieuwe uitdagingen. Je verwelkomt kleinkinderen, je pensioen zorgt voor meer vrije tijd, je neemt afscheid van dierbaren, maar ook je lichaam verandert. Zorg dragen voor jezelf is de sleutel om met volle teugen van het leven te blijven genieten. Stilstaan bij de plaats van alcohol in je leven hoort daar ook bij. Want ook wanneer je ouder wordt, heeft verstandig omgaan met alcohol alleen maar voordelen en komt het je gezondheid ten goede.

Een lichaam in verandering

“Dat jongeren extra kwetsbaar zijn voor alcohol, is ondertussen algemeen geweten. Maar wist je dat dit ook opgaat voor oudere volwassenen? Wanneer je ouder wordt, neemt je lichaamsvet toe en heb je minder lichaamsvocht. Bovendien werken je lever en nieren minder goed en neemt je lichamelijke weerstand af. Doordat je lichaam meer tijd nodig heeft om alcohol af te breken, ben je sneller dronken, duren de effecten langer én heb je meer tijd nodig om te recupereren. Zelfs kleine hoeveelheden alcohol kunnen hierdoor een impact hebben op je gezondheid en je functioneren.

Waarom stilstaan bij de plaats van alcohol in je leven?

Meer vrije tijd betekent misschien meer alcohol. Stilstaan bij je alcoholgebruik wil niet zeggen dat je niet meer mag genieten van een glas wijn of een frisse pint.
Wel kan ‘te veel’ alcohol na verloop van tijd allerlei gezondheidsklachten veroorzaken. Denk aan leverklachten, overgewicht, hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, … . Ook depressieve klachten, evenwichtsproblemen of problemen op vlak van slaap, geheugen of seksualiteit kunnen het gevolg zijn van hoog alcoholgebruik. Heel wat van deze gevolgen kunnen bovendien verdoken gaan onder veelvoorkomende klachten die gepaard gaan met ‘ouder worden’.

Daarnaast hebben oudere volwassenen een grotere kans op gezondheidsproblemen. Het risico en de ernst van bestaande aandoeningen (zoals hoge bloeddruk, depressie, hoge cholesterol, …) kan verhogen door het gebruik van alcohol. Alcohol kan bovendien de werking van medicijnen gevaarlijk versterken of net tegengaan. Wanneer je bijvoorbeeld gaat drinken terwijl je medicijnen neemt die ook verdovend werken (bv. slaapmedicatie, pijnstillers, antidepressiva, …), versterkt dat het verdovend effect. Hierdoor neemt de kans toe op een val, ongeluk in het verkeer of thuis.

Tips voor een glas minder

Minder alcohol drinken levert heel wat voordelen op. Je conditie verbetert, je kan je beter concentreren en je slaapt beter. Je voelt je dus veel energieker. Je kan je gewicht makkelijker onder controle houden en je voelt je beter in je vel. Als je medicatie neemt, loop je minder risico op bijwerkingen. Er zijn redenen genoeg om een glas minder te drinken. De volgende tips kunnen je hier bij helpen:

  • Tip 1 – Wissel een alcoholisch drank af met minstens één alcoholvrije drank.
  • Tip 2 – Drink niet als je met de wagen bent.
  • Tip 3 – Neem deel aan activiteiten waar alcohol niet de rode draad hoeft te zijn.
  • Tip 4 – Haal minder grote hoeveelheden alcohol in huis.
  • Tip 5 — Zorg voor een lekker aanbod niet-alcoholische dranken in huis.
  • Tip 6 – Experimenteer. Ga op zoek naar receptjes en maak een lekkere smoothie of mocktail (een alcoholvrije cocktail).
  • Tip 7 – Doe mee aan Tournée Minérale in februari en drink één maand geen alcohol. Of kies voor jezelf een andere alcoholvrije maand uit.
  • Tip 8 – Drink je liever geen alcohol? Vertel je gezelschap dat je dat doet voor je gezondheid. Én dring zelf niet aan als je gezelschap ook liever geen alcohol wil drinken.

Hoeveel is te veel?

Hoeveel alcohol ‘te veel’ is, hangt niet alleen af van de hoeveelheid alcohol. Dit verschilt ook enorm van persoon tot persoon, en de omstandigheden. Ben je man of vrouw, jong of oud, vermoeid of fit, drink je alleen of samen met anderen, …

Volgende richtlijn van de Hoge Gezondheidsraad biedt houvast:

  • “Drink niet meer dan tien standaardglazen* alcohol per week. Wil je geen risico lopen? Dan drink je beter niet. Als je wel alcohol drinkt, spreid dit over meerdere dagen in de week en drink een aantal dagen niet.
  • Wanneer je ouder wordt, medicatie gebruikt of gezondheidsproblemen hebt, loop je meer risico op de negatieve effecten van alcohol. In dit geval ben je beter voorzichtig en vraag je best advies aan je huisarts. “

* Een standaardglas bevat 10gram pure alcohol. Denk aan een glas pils van 25 cl , een glas wijn van 10 cl, een aperitief van 5 cl. Sterke bieren bevatten méér alcohol, zij tellen 1,7 à 2,5 standaardglazen.

Meer weten?

Bestel de brochure ‘ouder worden en alcohol’ gratis.

Nood aan advies?

Praat erover met je huisarts. Ook bij De DrugLijn kan je terecht met al je vragen over drank, drugs, pillen en gokken. Voor informatie, een eerste advies of adressen voor hulp en preventie. Anoniem, zonder taboe, zonder oordeel.

Bel 078 15 10 20 of neem contact via http://www.druglijn.be, Vanderlindenstraat 15, 1030 Schaarbeek | vad@vad.be | vad.be


Langer gezond genieten met alcohol?

Diane (61 jaar) en Jos (62 jaar) zijn beiden recent gepensioneerd en getuigen over de betekenis van alcohol in hun leven.

Welke plaats kent alcohol in je leven?

Diane: “Voor mij is alcohol gezelligheid. Ik kan echt genieten van de smaak van een glas wijn. Overdag drink ik nooit alcohol, maar ’s avonds bij het eten drink ik wel elke dag één à twee glazen, afgewisseld met water. Als ik wegga met vriendinnen, starten we vaak met één à twee glazen cava. Bij aanvang van het diner drink ik nog één glas wijn, maar nooit meer. Ik bestel ook altijd water om tussendoor te drinken en naar het einde van de avond drink ik alleen nog maar water.”

Jos: “Voor mij en mijn vrouw is dat gelijkaardig. Wij drinken ook voor de gezelligheid, en een glas wijn of bier is lekker natuurlijk. Alcohol drinken is bij ons echt een gewoonte, maar we drinken wel enkel ’s avonds. Soms houden we het bij elk een glas, maar evengoed delen we een fles wijn. We weten wel dat het allemaal niet zo gezond is, maar het zit ingebakken in onze cultuur. Toch zijn er ook dagen waarop we niet drinken.”

Welke invloed hebben vrienden of familie op jouw alcoholgebruik?

Jos: “Als je afspreekt met vrienden komt er automatisch alcohol bij kijken, maar ik ondervind geen druk. Als er iets wordt bovengehaald, wordt het wel leeggedronken. Is dat sociale druk? Ik weet het niet. Je moet jezelf niet meer bewijzen, dus je kan wel ‘neen’ zeggen als je vindt dat het genoeg geweest is.”

Diane: “Ik denk ook dat anderen mij niet makkelijk onder druk kunnen zetten om te drinken. Als ik voor mezelf beslis dat het genoeg is, dan drink ik niet meer. Misschien was dat vroeger wel anders, toen we nog heel jong waren. Ik dring zelf ook nooit aan als bezoek niet wil drinken.

Wat zijn voor jou de voor- en nadelen aan alcohol?

Diane: “Het positieve aan alcohol is die gezelligheid, voor mij is het echt genieten van de smaak. In een groep mensen die je niet goed kent, haalt het ook de remming wat weg, iedereen wordt wat losser, durft wat meer zichzelf te zijn.”

Jos: “Voor mij staat ook de gezelligheid voorop, het geeft ontspanning, we genieten ervan. Iets negatiefs kan ik niet meteen bedenken, behalve dat ik wel eens durf te drinken omdat ik stress heb.”

Diane: “Soms degouteert het mij als ik zie dat vrouwen van mijn leeftijd zware bieren drinken tot ze zat zijn en niet meer weten wat ze aan het vertellen zijn. Daar hou ik niet van. Net als van mensen die ‘te’ plezant doen. Een beetje alcohol kan van een zeurpiet een plezante mens maken, maar te veel drank maakt er een ander persoon van. Ik besef daarnaast maar al te goed dat alcohol kan leiden tot verslaving. Dat zie ik in mijn eigen omgeving.”

Ondervind je andere effecten van alcoholgebruik dan toen je jonger was?

Diane: “Ik heb nooit veel gedronken, maar het stijgt nu veel sneller naar mijn hoofd. Ik heb sneller de indruk dat het genoeg geweest is. Na een tweede glas word ik moe en heb ik geen energie meer. Ik moet me dan extra inspannen om de afwas te doen of in de tuin te werken.”

Jos: “Ik merk ook wel dat het iets doet hoor, we slapen misschien wat minder goed. Vandaar dat we ook proberen af en toe alcoholvrije dagen in te lassen. Ergens zijn we er misschien meer mee bezig dan we zelf denken.”

Hoe is het momenteel met je gezondheid gesteld?

Jos: “Ik ben heel tevreden over mijn gezondheid. Wij hebben nu veel tijd en kunnen veel dingen doen. Ik voel me eigenlijk best goed. We doen ook veel meer en zijn actiever dan twee jaar geleden.”

Diane: “Ik voel me beter dan ooit tevoren omdat ik meer beweeg, heel gezond probeer te eten en aandacht heb voor mijn geestelijke gezondheid. Gezond eten doe ik al enkele jaren omdat ik op een zeker moment te horen kreeg dat ik een lichte vorm van suikerziekte had. Ik heb mijn moeder gezien met diabetes op het einde van haar leven, en dacht ‘niet met mij’. Ik besefte dat het aan mijn beweging en voeding lag. Sindsdien ben ik meer beginnen wandelen en heb ik mijn voeding volledig aangepast. Mocht het voor mijn gezondheid nodig zijn alcohol te laten, dan doe ik dat. Als ik wil blijven genieten van het leven zoals nu, moet ik in eerste instantie voor mijn lichaam zorgen.”

Jos: “Dat is voor mij hetzelfde. Mocht de dokter zeggen dat ik moet opletten voor mijn gezondheid, dan is dat voor mij een signaal om iets te ondernemen.”

Heb je soms het gevoel dat ‘minder’ beter zou zijn?

Diane: “Ja, zeker wel. Mijn streefdoel is om terug te gaan naar hoe het vroeger was: enkel in het weekend drinken. Zeker na twee glazen voel je dat je zowel geestelijk als lichamelijk weinig energie hebt.”

Jos: “Ik zou mij misschien soms wel fitter kunnen voelen. Vandaar dat we overdag niet drinken. Drinken is iets voor ’s avonds.”

Heb je ooit al eens geprobeerd om je alcoholgebruik te minderen?

Jos: “We proberen af en toe minder te drinken. Het wordt ook aanbevolen, zoals in het nieuws of door Tournée Minérale. En de horeca biedt ook meer en meer alternatieven. Ik voel wel dat dat beter is. Je moet met alles matigen, he.”

Diane “Zeker na de feestdagen heb ik soms het gevoel dat het te veel geweest is. Dan drink ik een week niet. Daar ben ik dan wel fier op. Een langere periode niet drinken, heb ik nog niet gedaan. Ik heb bijvoorbeeld nooit meegedaan met Tournée Minérale, een maand zonder alcohol, maar ik zou het weleens willen proberen om mezelf te testen. Kan ik het? Ik wil de uitdaging in februari 2020 in ieder geval aangaan.”

Tips voor een glas ‘minder’

Omdat je meer vrije tijd hebt, grijp je misschien sneller naar een glaasje alcohol. Stilstaan bij je alcoholgebruik wil niet zeggen dat je moet inleveren op het genot van een glas. Volgende tips helpen:

  • Tip 1: Wissel een glas alcohol af met minstens één alcoholvrij drankje.
  • Tip 2: Drink niet als je met de wagen bent.
  • Tip 3: Neem deel aan activiteiten waar alcohol niet de rode draad hoeft te zijn.
  • Tip 4: Haal minder grote hoeveelheden alcohol in huis.
  • Tip 5: Zorg voor een lekker aanbod non-alcoholische drankjes in huis.
  • Tip 6: Experimenteer. Ga op zoek naar receptjes en maak een lekkere limonade of mocktail (
    alcoholvrije cocktail).
  • Tip 7: Doe mee aan Tournée Minérale in februari en drink één maand geen alcohol. Of kies een
    andere alcoholvrije maand uit.
  • Tip 8: Drink je liever geen alcohol? Vertel je gezelschap dat je dat doet voor je gezondheid. Én
    dring zelf niet aan als je gezelschap ook liever geen alcohol wil drinken.

Dianes tip – Homemade limonade met limoen en appelsien

  • 2 sinaasappelen, geperst
  • 2 limoenen, geperst
  • acaciahoning
  • een paar takjes verse munt
  • bruiswater

Bron: Sandra Bekkari.


De mooie mens in Marc Erkens

Interview uit Humo, Maandag 26 september 2016

Marc Erkens is het opleidingshoofd Muziek op de Leuvense campus Lemmens van de LUCA School of Arts én de oom van Jasper Erkens. Hem vol vuur horen vertellen over de uitgebeende akkoorden in Nick Caves ‘I Need You’, of de betekenis van de eenzame hobo in de Vijfde Symfonie van Beethoven horen verklaren terwijl hij vol overgave op de piano tokkelt, doet iedereen kennelijk zin krijgen in méér. Hierzo!

Marc Erkens «Ik, een revelatie? Ach, ik ben slechts tien minuten op de buis geweest! Tot mijn eigen verbazing wist het publiek dat te smaken, want mijn vrouw zegt altijd dat ik over the top ga (lacht). Je moet weten: op mijn 20ste stond ik voor klassen vol pubers, en werd ik aanvankelijk uitgelachen toen ik opdraafde met een goedbedoelde sonate van Beethoven. Ik ben toen gaan nadenken over hoe ik mijn materiaal kon verkopen aan die gasten, en die bevlogenheid ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Ik ben blij dat m’n enthousiasme aanstekelijk werkt: er kunnen nooit genoeg muziekambassadeurs zijn.»

HUMO Zeker niet voor klassieke muziek, die toch vooral geassocieerd wordt met de oudere, gegoede klasse.

Erkens «In de tijd van Bach droegen mensen pruiken en bepoederden ze hun gezicht – wie vandaag zo rondloopt, wordt uitgelachen. Klassieke muziek klinkt in onze oren ook heel ongewoon, maar je moet achter de kleertjes kunnen kijken: dan ontdek je de oprechtheid. Ik geef repertoirestudie aan de studenten van het eerste jaar, die vaak niet veel van klassieke muziek kennen: het is mijn taak hun de grote meesterwerken bij te brengen. Bij de eerste beluistering van minder voor de hand liggende werken denken ze: What the fuck is this? Maar ik moedig hen aan ernaar te blíjven luisteren: kunnen ze dat niet, dan zijn ze niet in de wieg gelegd om muzikant te worden. Van mij moeten ze luisteren tot de schellen van hun oren vallen: ‘Yes, nu snap ik het!’ Want je kunt dat wel degelijk leren: zelf ben ik opgegroeid met Elvis Presley en Pat Boone, aangevuld met kinderdeuntjes uit onder meer de Fabeltjeskrant. Maar op m’n 11de ben ik naar de muziekacademie gegaan en later naar het conservatorium, en luisterde ik met evenveel plezier en overgave naar Johann Sebastian Bach en Johannes Brahms als naar Frank Zappa, Neil Young en Electric Light Orchestra

HUMO Wat moeten uw studenten dan snappen?

Erkens «Dat zelfs renaissancistische componisten als Giovanni Pierluigi da Palestrina niet zo erg verschillen van hedendaagse muzikanten: toen al werd dezelfde boodschap uitgedragen. Een kunstenaar heeft het altijd over zichzelf, maar wordt pas begrepen als wat hij zegt ook herkenbaar is voor anderen. Waarom gaan zoveel nummers – ook honderden jaren geleden al – over liefdesverdriet of de angst voor de dood? Omdat die thema’s tot de menselijke kern behoren.

»Tijdens de Verlichting werd er op een heel constructieve manier naar muziek geluisterd: hoe steekt de muziek in elkaar? Wat is de verhouding tussen de verschillende melodieën en welke rol speelt elk instrument? De kunst is om bijna muziekanalytisch te gaan luisteren: dan kun je álle muziekgenres appreciëren. Het probleem is echter dat we tegenwoordig op een romantische manier naar muziek luisteren – ‘Vind ik dit mooi?’ – omdat we verwachten dat muziek gevoelens uitdrukt. Terwijl het niet de muziek is die gevoelens uitdrukt: het is de muziek die bij ons gevoelens oproept. En daar zijn bepaalde codes voor: met een aantal goed gekozen klankcombinaties kun je een sfeer van hemelse romantiek oproepen, dan wel van speelse suspense of angstaanjagende horror. Komende vrijdag zal ik het in ‘Culture Club’ bijvoorbeeld hebben over filmmuziek. Welnu, als je iemand aan een appartementsgebouw van honderden meters hoog ziet bengelen, en er zit daar een vrolijk pianoriedeltje onder, dan denkt de kijker: ‘Dit loopt goed af.’ Hoor je daarentegen dreigende tonen, dan weet je ook hoe laat het is. Fascinerend!

De reden waarom we nu op een romantische manier naar muziek luisteren, komt doordat we de kunsten en de wetenschappen van elkaar zijn gaan scheiden. Onze gevoelens en dromen – kortweg: je romantische zelf met alle gespletenheid van dien – kanaliseren we nu in kunst. Dat was vroeger anders: kunst en wetenschap vulden elkaar aan, en zo werd tot kennis bijgedragen. Kijk maar naar Leonardo da Vinci: die was zowel wetenschapper als kunstenaar.

»Nu, iedere generatie zoekt zijn eigen muziek. Toen mijn zoon doorhad dat ik ook naar lichte muziek luisterde, heeft hij zich vol overgave op de heavy metal gestort, omdat hij ervan overtuigd was dat zijn vader dat niet zou kunnen volgen. En dat is ook zo: ik merk wel dat de muzikanten zich volledig geven, maar ik word er niet door meegesleept (lacht). Je zult me ook nooit op Tomorrowland vinden – als een beat een mechanische dreun wordt waaraan alles wordt vastgeknoopt, is die muziek bij voorbaat gedoemd om zich niet meer te kunnen ontwikkelen – maar ik blijf bijvoorbeeld wel teruggrijpen naar Daft Punk. Ik begrijp het geheim van die twee mannen met hun motorhelm nog steeds niet, maar dat ze mij verschillende keren kunnen doen luisteren naar een genre dat mij niet aantrekt, betekent dat er echtheid in hun nummers zit. En die authenticiteit heb je nodig om een klassieker te maken, al kun je niet op voorhand voorspellen wat de tand des tijds zal doorstaan.»

HUMO Er bestaat niet iets als een muzikaal genie?

Erkens «Het kernwoord is: authenticiteit. En je hoeft daarvoor geen genie te zijn. Je hebt musici die aan het begin van hun carrière ongelofelijk beklijvende muziek weten te schrijven, en daarna wel een mooi vakmanschap opbouwen, maar die snaar in je ziel niet meer weten te raken. Ze blijven hun oorspronkelijke boodschap herkauwen zonder die een extra dimensie te geven. Ik luister bijvoorbeeld veel liever naar Sting ten tijde van The Police – ‘Every Breath You Take’ is nog steeds onvoorstelbaar goed – dan naar de Sting die tegenwoordig een streepje jazz in zijn nummers incorporeert. Dat heb je in de klassieke muziek trouwens ook: Igor Stravinsky was in het begin van zijn carrière baanbrekend en grensverleggend, maar heeft daarna zijn invloed verloren.

»De kunst is om jezelf eerlijk in de muziek te blijven projecteren. Dus vind ik Nick Cave in de documentaire ‘One More Time with Feeling’ (over de plaat die hij maakte na het tragische ongeluk waarbij zijn 15-jarige zoon om het leven kwam, red.) eerlijk en moedig. Ik heb zelf een dochter die een vijftiental jaar geleden heel ziek geworden is – we waren bang dat we haar zouden verliezen – en wanneer ik Cave dan hoor zeggen dat hij en zijn vrouw besloten hebben voortaan gelukkig te zijn, dan begríjp ik dat. Het is typisch voor een muzikant of kunstenaar dat hij niet kan zwijgen: het enige wat Cave kán doen, is muziek maken. De muziek is zo ontbeend en recht voor de raap, dat een figuur als Nick Cave, waar je in het dagelijkse leven weinig feeling mee zou hebben, plots een mens onder de mensen wordt.

»Muziek is één van de mooiste dingen die we kunnen nalaten als soort: het bewijst dat we tot zoveel meer in staat zijn dan enkel destructiviteit. Met muziek kun je niet kwetsen; je kunt alleen maar een brug slaan.»


Op zoek naar het nazi-verleden van opa

Met hun boek ‘Was opa een nazi?’ stelden Koen Aerts, Dirk Luyten, Bart Willems, Paul Drossens en Pieter Lagrou een gids samen voor iedereen die het verborgen oorlogsverleden van zijn familie tracht te achterhalen. Apache sprak met historicus Koen Aerts (UGent) over het spraakmakende boek.

Koen Aerts: “Het boek is gegroeid uit noodzaak. Mijn collega’s en ik kregen de voorbije jaren heel veel vragen van mensen hoe ze op zoek moesten gaan naar het verleden van familieleden. Daarom wilden we een systematische oplijsting maken van wat er aan informatie waar te vinden is.
Het boek gaat weliswaar verder dan enkel en alleen de juiste bronnen aanwijzen. Het biedt ook de broodnodige context om de informatie die men vindt te kunnen interpreteren en te kaderen.
Dat moet helpen om de mythevorming die er toch rond het onderwerp van collaboratie en repressie is te counteren. Vaak vindt die mythevorming net zijn oorsprong in een gebrekkige kennis van de juridisch technische strafdossiers. Het is noodzakelijk om een aantal termen te duiden en uit te leggen.”

Het thema wordt meestal in termen van goed en slecht, zwart of wit bekeken. Is die context noodzakelijk om de gradaties te zien en te begrijpen?

Aerts: “We wijzen erop dat er een oneindig aantal motivaties waren om te collaboreren, van zeer bewust tot bijna onbewust of stoemelings.
Er is wel degelijk een verschil tussen de Gestapo-tolk die hielp bij de hardhandige ondervraging van een saboteur en iemand die zich enkel op een collaboratiekrant abonneerde. Dat is belangrijk om mee te geven en weg te raken van de clichés.”

Het boek dient als gids in het archievendoolhof. Welke bronnen zijn in zo’n zoektocht het vaakst doorslaggevend?

Aerts: “De meeste kinderen die op zoek gaan, willen in de eerste plaats het gerechtelijke dossier bemachtigen. Dat is voor velen de heilige graal. Het is echter niet simpel om toegang te krijgen. Zo moet het college van procureurs-generaal de toestemming geven.
Nabestaanden ondervinden vaak problemen om alle voorwaarden af te vinken. Die moeilijke ontsluiting draagt bovendien nog bij aan de mythevorming.
Het is bovendien niet gezegd dat het gerechtelijk dossier ook de meest interessante of uitgebreide bron is. Ze vertellen niet altijd het volledige verhaal, daarvoor moet je meestal toch nog andere bronnen raadplegen.”

De Tweede Wereldoorlog is ondertussen meer dan zeventig jaar voorbij. Vanwaar deze oplevende interesse in het familiale oorlogsverleden?

Aerts: “Het zijn vooral kinderen van collaborateurs, waarvan de directe, emotionele band met de betrokkene het sterkst is, die op zoek willen gaan. Vaak zijn ze nu gepensioneerd, en hebben ze tijd om zich te verdiepen in hun familiegeschiedenis, om op zoek te gaan naar de identiteit van hun familie.
Men gaat vaak pas op zoek zodra opa of oma overleden is, dat is voor velen het moment om vragen te stellen die ze niet altijd durfden te stellen.”

Er was natuurlijk niet enkel collaboratie in Vlaanderen. Een deel van de bevolking sloot zich ook aan bij het verzet tegen de Duitse bezetting. Krijg je ook vragen van die nabestaanden?

Aerts: “Op deelname aan het verzet rust weliswaar veel minder een taboe, maar toch krijgen we soms ook de vraag of opa een verzetsheld was. Ik heb ook al voorgesteld om een vervolg te maken op dit boek, maar dan voor verzetslieden.
M’n eigen grootmoeder was een erkende verzetsvrouw, en ik ben ook zelf pas na haar dood op zoek gegaan naar dat verleden. Ook hier zijn de bronnen niet altijd even beschikbaar of makkelijk te vinden. Het zou dus zeker interessant zijn om dezelfde oefening te maken voor de andere kant.”


Amerikaanse miljardairs zijn de discrete financiers van Europese desinformatiecampagnes

07 maart 2019 – Le Monde

Al verscheidene jaren financiert een kleine groep Amerikaanse miljardairs een brede desinformatie-campagne door rechtse bewegingen in de Europese Unie. Dat zegt Damien Leloup, columnist van de Franse krant Le Monde. Dezelfde figuren zijn volgens Leloup ook in de Verenigde Staten gelinkt aan de rechtse vleugel van de republikeinse partij. De betrokkenen zouden onder meer proberen het populisme en het nationalisme in de lidstaten van de Europese Unie aan te wakkeren. Ook de brexit zou voor deze rechtse figuren een geliefkoosd werkterrein vormen.

Volgens Damien Leloup blijkt vooral Robert Mercer, een van de topmannen van het investeringsfonds Renaissance Technologies, een spilfiguur. Mercer is onder meer de financier van de ultrarechtse Amerikaanse nieuwssite Breitbart News.

Volgens Steve Bannon, voormalig adviseur van Donald Trump en gewezen hoofdredacteur van Breitbart, lag vooral de familie Mercer aan de basis van het politieke succes van de huidige Amerikaanse president. Maar Leloup wijst erop dat de politieke inspanningen van Robert Mercer zich niet tot de Verenigde Staten beperken.

The Rebel

“Mercer was ook financier van Gatestone, een neoconservatieve denktank die vooral op Europa is georiënteerd en die in verscheidene talen allerhande artikels publiceert,” zegt Leloup. “Bovendien staat Mercer ook achter het Canadese nieuwsplatform The Rebel, dat zich vooral in de Europese actualiteit interesseert.”

“Onder meer online aanvallen tegen de Franse president Emmanuel Macron zijn aan figuren rond The Rebel gelinkt. Medewerkers van The Rebel zouden ook sensationele video’s over de protestacties van de Gilets Jaunes in Frankrijk hebben opgenomen en verspreid. Rebel Media heeft daarnaast video’s gemaakt over nationalistische oprispingen in Polen en Kroatië.”

“The Rebel volgt een lijn die sterk gelijkt ook de strategieën van Breitbart News,” zegt Leloup nog. “De nieuwssite lanceert vooral aanvallen op de immigratie en de islamitisering en linkse bewegingen in de Verenigde Staten, Canada en Europa. Volgens de site staat Europa, vooral door de immigratie, op instorten. Tevens voerde The Rebel campagne voor de brexit.”

“Daarnaast krijgt Rebel Media ook financiële steun van de Amerikaanse miljardair Robert Shillman, topman van het bedrijf Cognex,” betoogt Leloup. “Shillman heeft onder meer de salarissen van de journalisten van Rebel Media betaald. Ook vele projecten tegen de islam genieten de financiële steun van Shillman. Onder meer het conservatieve Horowitz Center kon op zijn steun rekenen.”

Leloup schetst daarbij ook een link met de Nederlandse rechtse politicus Geert Wilders. De auteur maakt daarbij gewag van het instituut Gatestone, een financier van de controversiële Nederlandse video Gangster Islam. Leloup maakt tevens gewag van banden met platformen zoals The Old Continent en Geenstijl.

Ukip

“Vooral in Angelsaksische landen is Rebel Media echter bijzonder actief,” weet Leloup. “Vele Britse extreem-rechtste militanten kregen een beurs di door Robert Shillman is gefinancierd. Deze Britse groep werd geleid door Tommy Robinson, oprichter van de English Defense League en een sympathisant van de eurokritische politieke partij Ukip.”

“Robinson en zijn volgelingen ageren vooral tegen immigratie en steunen de brexit. In mei vorig jaar werd Robinson gearresteerd. Hij is wegens de promotie van islamofobie tot een gevangenisstraf van dertien maanden veroordeeld. Media die financiële steun van Shillman ontvingen, namen vervolgens de verdediging van Robinson op zich. De proceskosten van Robinson zouden zijn betaald door Charles en David Koch, twee ultraconservatieve Amerikaanse ondernemers.”

In Ierland zou ook Caolan Robertson, een gewezen medewerker van Rebel Media, door Shillman worden gesteund. Robertson is vooral berucht voor zijn brutale aanvallen tegenover onder meer voorstanders van het recht op abortus.

Bron: Express Business – Originele tekst: Le Monde


Hubert Dethier: “Men kan analytisch zeer verstandig zijn, en tegelijk existentieel dom.”

27 januari 2019 / Willy Coomans

Een magnum opus is het geworden, het vierdelige “De beet van De Adder” van Hubert Dethier (filosoof en germanist; hoogleraar Wijsbegeerte, Geschiedenis der Godsdiensten en Filosofie en Kritiek van de Religie). Hij doorploegt achtereenvolgens de middeleeuwse ketters en deugden (deel 1), het middeleeuwse weten en geloof (deel 2), de zinnelijkheid tijdens de middeleeuwen (deel 3) en de parallellen tussen de renaissance en onze tijden (deel 4). Naar aanleiding van de publicatie van het derde deel “De tafel van smaragd. Filosofieën van de Eros en het Goudland” en omdat de hoogleraar in 1998 de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, had ik voor Akademos een gesprek met hem. Ik laat u de authentieke tekst.

Deel 1: “Men kan analytisch zeer verstandig zijn, en tegelijk existentieel dom.” (H. Dethier)

Dethier keert met “De Adder” terug naar een problematiek waarmee hij 30 jaar geleden al bezig was, in de tijd van zijn doctoraat, nl. de situatie aan de grote “vrijdenkende ” universiteiten zoals Padua en Bologna, die in de 15de en 16de eeuw onder invloed stonden van het Arabische denken. Een hele reeks denkers bereidden het modernisme voor en baanden de weg tussen dat deel van de Renaissance dat een voortzetting was van de Middeleeuwen en de kwantitatieve natuurwetenschap.
Dethier: “Het is niet omdat we weten dat later het christendom de wetenschap bestreden heeft, dat we niet mogen beletten in te zien dat het christendom ook zeer rationeel, zelfs rationalistisch is geweest in vroegere eeuwen. Het christendom moest in ziin bekeringsijver de strijd aanbinden met het heidendom, of wat voor heidendom doorging, Griekse filosofie en volksgeloof. Germaanse en Keltische tradities werden bestreden en in die strijd kwam het christendom zeer rationeel over. Het waarschuwt daarbij altijd tegen het gevaar van het lichamelijke dat geplaatst wordt tegenover het goede. Het lichaam moet daarom bewaakt worden. Door de ziel in ons, die het beeld van God is in ons, en die het lichaam ordent en ons helpt dat lichaam te onderwerpen en te controleren. Zo is er de kleding om het lichaam te beschermen tegen onszelf. In internaten en in kloosters mocht men geen grote zakken hebben omdat dit het mogelijke masturberen zou dissimileren. In kloosters dienden de stoffen ruw te zijn en onaangenaam aan te voelen voor het lichaam om de zintuiglijkheid niet te stimuleren. Daar werd dan tijdens de Renaissance tegenin gegaan. Wanneer ook de oosterse luxe tot ons doordringt, zal de kerk volgen. Hoogwaardigheidsbekleders kleden zich in zijden gewaden. M.a.w. de kerk maakt een bocht van 180 graden. De kerk is plots gans omgeslagen. En dat heeft me altijd geïnteresseerd in de cultuurgeschiedenis, die tweespalt: de kerk is het één, maar is ook het ander. Naast de ziel en de kleding is er nog een derde element i.v.m. de controle, nl. de kwantitatieve natuurwetenschap. De natuur moet onderworpen worden, men moet haar regels ontfutselen om tegen haarzelf toe te passen. Dat is ook zo bij Descartes, maar het begint in de 14de eeuw. De natuur dient geledigd te worden van alle innerlijke geesten; elk animisme en pantheïsme dient eruit gehaald te worden. De natuur en ook ons lichaam wordt opgevat als een stuk van de goddelijke substantie, dat moet onderdrukt worden. De natuur moet berekenbaar en controleerbaar gemaakt worden en het christendom stond daar helemaal achter. Het is dus ongelooflijk moeilijk (ik heb dat geprobeerd maar het lukt niet zomaar) geloof en weten van mekaar te scheiden. Ze zijn voortdurend met mekaar verstrengeld.”

Wij zijn God

Op het einde van de middeleeuwen bestond er een zeer grote vrouwenbeweging, waar de kerk repressief tegenin ging. Met het concilie van Trente probeerde men de seksualiteit te onderdrukken en daarbij werd het eigen lichaam een taboe.
Toch spreekt Dethier niet over “de kerk”. De kerk is nooit een monolitisch lichaam geweest. Innerlijk kan ze zeer verdeeld zijn. Met vaak een enorme innerlijke tegensprakelijkheid. Naast de paus bestaan er zeer emancipatorische en kritisch, zelfs marxistisch geïnspireerde bevrijdingstheologen, zoals zijn collega Georges Deschrijver in Leuven.
Dethier: “Het is soms angstwekkend, maar ik weet niet goed waarin ik van hem verschil (lacht). Hij is een jezuïet die zich bepaalde dingen veroorlooft. Alleen het legitieme christendom heeft eeuwen aan een stuk het lichaam als een taboe bekeken. De kerk zelf evolueert. Er komen beslissingen op concilies rond de pil en de vruchtbaarheidsproblematiek. Zo was Johannes XXIII voor een meer liberale politiek en stond hij niet weigerachtig t.o.v. zwangerschapsonderbreking, al is dat later, ondanks de goede voornemens van het concilie in de jaren 60, een hele andere koers uitgegaan. In het Thomasevangelie wordt de vrouw ook erkend als iemand die een belangrijke rol mag spelen in de ontwikkeling van de “liturgie (Thomas wenst eigenlijk geen liturgie doch eerder een bond van gelovigen) en hij spreekt over de heilige mis… de liefdesdaad. Dat is zowel de geestelijke als de seksuele liefdesdaad. Het lichaam van de vrouw is de plaats waar de heilige geest neerdaalt en wil de man communiceren met de heilige geest, dan moet hij in dat lichaam doordringen.
Er zijn dus verschillende tradities binnen het christendom waarin het lichaam verheiligd, zelfs vergoddelijkt wordt. Maar het is juist dat er een dominante visie is die altijd voor dat lichaam gewaarschuwd heeft. Dit is een gevolg van het feit dat het pantheïsme een einde stelt aan elk strikt dualisme. God is deze wereld zelf. Wij zijn zelf goddelijk. Wij zijn eigenlijk allemaal monaden, allemaal moleculen van dat diep ademende goddelijke lichaam, dus wij zijn zelf goddelijk. Het pantheïsme leidt tot de vergoddelijking van de mens. Daarom zal het christendom in de 13de eeuw het denken van Aristoteles invoeren. Die sprak over God als de onbewogen beweger, die met zijn rug naar de mensen staat. Hij is de zuivere idee, de zuivere geest, de vorm die materieloos is. Hij is de horizon waar wij naartoe stappen. En die wij nooit bereiken. Hij is interessant voor het christendom, want hij is een horizonlijn die zich altijd verplaatst. Daardoor blijft hij onbereikbaar, zodat wij nooit met God kunnen samenvallen.”

Arthur

In uw werk schetst u de historiek van hoe men tegenover de vrouw stond. U vertrekt vanuit de Arthursage, waarin de man als strijder een beproeving dient te ondergaan (een missie, een queeste) om de vrouw “waardig” te zijn en te kunnen “dienen”.
De geliefde confronteert de ridder met een opdracht en daarbij moet de man tot het uiterste gaan. De vrouw wordt een middel voor de man om zich te verwezenlijken. Tegelijk steekt de man de vrouw aan tot liefde. M.a.w. hij maakt haar levend door in de appel te bijten. Dus de vrouw wordt vanuit de man benaderd. Ondanks het respect voor de vrouw, is het de zelfverwezenlijking van de man die centraal staat; De vrouw staat in functie van die zelfverwezenlijking. Dat merkt men overigens ook bij Casanova, bij Don Juan. De vrouw wordt een trofee in functie van de man. Bovendien is deze zienswijze een manier om de “werkelijkheid van de relaties” te kunnen controleren.
Hier is inderdaad een dubbelzinnigheid ingebouwd. De vrouw is de bezielster, de inspiratrice. Zij is als een goddelijke wenk die naar de man zeer bepaalde signalen afstuurt en die hem de kracht, de moed en de zin geeft om de brutale seksualiteit om te zetten in “zin voor schone daden”. Freud zal spreken over sublimatietheorie die we terugvinden in de Arthurromans. De vrouw is uiteindelijk het goddelijke en het heeft waarschijnlijk haar situatie verbeterd. De situatie van de vrouw was met de opkomst van de stedelijke beschaving aanzienlijk verbeterd. Zij kon bepaalde verantwoordelijkheden opnemen. Zij kon de man helpen in het bedrijf, in de zaak.
Maar ook daar wordt zij iemand die naast de man moet staan om zijn “boetiek” draaiende te houden…
Dethier: “Ja, ja. Absoluut. Iedere situatie was een aanleiding voor de man om zich te verwezenlijken. Om boven zichzelf uit te stijgen en hij maakt van de liefde tot de vrouw feitelijk gebruik om zichzelf te transformeren, te transcenderen.
Die relatie heeft uiteindelijk geleid in de Renaissance tot de courtisanes, die toch méér waren dan prostituees. Het waren vrouwen die eigen salons hielden, die niet enkel mannen inspireerden. De mannen gingen naar die vrouwen opkijken, omdat zij intellectueel gezien de meerdere waren van de mannen. Een belangrijk thema van de renaissancetheorie is de liefde. Denken we maar aan een aantal liefdesdialogen waarin beschreven wordt dat de vrouw ook een doel wordt, wat van de liefde een soort wederkerigheid maakt, een soort van dialoog, een communie waarin de vrouw vertoeft binnen een symmetrische verhouding.
Maar men moet opletten met de interpretatie van die teksten. Want in diezelfde Renaissance wordt de vrouw behandeld als een object. Met De Sade en de orgastische cultuur gaat het om een maximalisatie van het genot van de man. Men kan zo’n periode niet vangen onder bepaalde etiketten. Elke periode blijft ongelooflijk gedifferentieerd.
En dat geldt niet in het minst voor onze huidige maatschappij waar de vrouw in de reclame afwisselend benaderd wordt als lustobject, maar soms ook als een zelfstandig individu. Daarnaast spreekt men (o.a. bij Jung) niet langer over dé man en dé vrouw, maar over “mannelijkheid” en “vrouwelijkheid” die in elke mens schuilt. M.a.w. men heeft het over de vrouw én de man in ons.”
Had men in de Middeleeuwen en in de Renaissance reeds besef van dit gegeven? Dacht men toen reeds in termen van niet de man tegen de vrouw plaatsen, maar eigenschappen toekennen die men als vrouwelijk omschrijft en die ook in mannen zitten? Zo zou men tederheid een vrouwelijk gevoel kunnen noemen, dat bij elke mens in meerdere of mindere mate aanwezig is. Of men kan “het zich kwetsbaar opstellen” een vrouwelijke eigenschap noemen. Macho’s (zowel mannelijke als vrouwelijke) stellen zich nooit kwetsbaar op, al is dit vaak een camouflage voor hun onzekerheid. Machogedrag wordt dan vanuit de Romeinse cultuur, door de Middeleeuwen tot bij ons gezien als een “must”, daar men zich niet “zwak” mag opstellen. Daar waar hij of zij die zich kwetsbaar opstelt geen scrupules heeft om toe te geven waar de eigen zwaktes liggen.
Dethier: “In elk van ons zit inderdaad een vrouw en een man. Jung en ook Freud waren goed op de hoogte van oude kabbalistische teksten. Freud heeft daaruit geput. In zulke teksten wordt bv. gezegd dat de relaties die men heeft met zijn vrouw zowel seksueel als geestelijke relaties dienen te zijn. Er wordt in die teksten onomwonden over seksuele liefde gesproken, die heilig was. De man handelt niet alleen voor zichzelf maar MOET de vrouw doen genieten. Dat is een religieuze plicht. Ook als de man op reis is, draagt hij altijd het beeld van een vrouw in zich. Dat is het mentale beeld dat hij cultiveert, dat eigenlijk niet noodzakelijk van zijn vrouw is. Het is DE vrouw, de checkina, een ongelooflijke en fascinerende schoonheid die de diepe achtergrond achter de dingen is. Men kan dit associëren met de seksualiteit van de vrouw die helemaal naar binnen toe gericht is, terwijl de man al zijn instrumenten naar buiten toe draagt. Er is het innerlijke van de vrouw: het hart, het geweten, de geest en haar intimiteit. Met dit vrouwelijk gegeven, dat voortdurend aanwezig is, voert de man voortdurend een dialoog. Die checkina (de “pracht”) kan men als het constant aanwezige geweten in de man kunnen opvatten.

In de Arthuromans (in tegenstelling tot de oude Frankische romans) ziet men dat de man veel meer verfijnd wordt. Dat ze de cultuur van de vrouw en de minnezang in zich opnemen. Hij moet poëzie begrijpen en schrijven , zoals de troubadours, die verfijnde zeden hadden en anderen hebben geïnspireerd en die hebben bijgedragen tot een meer volledige uitbouw van de psychologie van de man, die tegelijk scherp- en diepzinnig is. Men vindt dit ook bij Freud terug. De feministen hebben hem zeer kwalijk genomen dat hij opmerkt dat de mentale, intellectuele karakteristieken van man en vrouw de weergave zijn van hun morfologie. Dat de man doordringend en scherpzinnig is en de vrouw diepzinnig en passief. Dat ze voor de aanvaarding van feiten is, alsof dat niet voor de man zou kunnen gelden. En in de poëzie van de troubadours heeft men te maken met haast feminiene mannen, zoals men die later bij Rousseau opmerkt. Men spreekt bij Rousseau over zijn vrouwelijke subjectiviteit. Hij ging verder dan de meeste Verlichtingsfilosofen. Hij heeft een volledigere analyse gegeven van de menselijke ziel. Hij had zoveel inzicht en empathie dat hij kon doordringen tot de vrouwelijke gevoeligheid. Hij heeft ook aandacht voor de ambiguïteit van de mens. Ook Kant wijst op de gebrokenheid van de rede: de mens is een vrij, verantwoordelijk wezen. Hij heeft zichzelf in handen. En ondanks de verschrikkingen van dit leven kunnen en moeten we voet bij stuk houden en misschien een zin geven aan een werkelijkheid die er blijkbaar geen schijnt te hebben. God verwordt dan tot een richtinggevend krachtpunt.

Dat doet me denken aan Leo Apostel met zijn prachtige werk: “Atheïstische Spiritualiteit”. Ik beschouw het atheïsme niet – zoals in Van Daele staat – als het loochenen van God. Men is pantheïst als men niet behoorde tot een geïnstitutionaliseerde vorm van religie. Men is niet zomaar sec een atheïst. Apostel zegt: “Er is de atheïst die zegt, ‘God bestaat niet maar ik wens dat ie wel zou bestaan’. Of eigenlijk zou hij moeten bestaan. Daar komen nuances bij die te maken hebben met onze emotionaliteit en onze gevoeligheid, waarin ook dat logische denken ingebed ligt dat daardoor altijd een beetje ambigu is. En die ambiguïteit heeft te maken met dat man-vrouwelijke, zoals het ook later in de psychoanalyse is uitgediept.”

Predestinatie

Dat brengt ons bij de redelijkheid. In “De Crises der Rede”, een artikel gepubliceerd in het Nieuw Tijdschrift v/d VUB, definieert Dethier de redelijkheid als een opstand tegen de traditie. Hij fulmineert o.a. tegen de domheid. Indien we de redelijkheid linken met het gevoelig in de wereld staan; en we analyseren hoe de moraal inwerkt op mensen; hoe dient redelijkheid dan met moraal om te gaan? Op welke manier dienen wij onze redelijkheid verder te ontwikkelen? In positivistische zin? Of door de gevoelswereld en de eros erin te betrekken?

Dethier: Voor mij is redelijkheid de eenheid van verstand en gevoel. Het gevoel is een dimensie van het verstand. Het verstand staat, wanneer het echt verstand is, nooit los van de meer emotionele componenten. Pas op: men kan analytisch zeer verstandig zijn, en tegelijk existentieel dom. Dat is wat Marcuse noemt: de verstandige domheid. Bvb. technocraten die volledig blind zijn voor wat er in mensen omgaat. Het hele kapitalisme is op dit ogenblik zo’n toepassing van de domheid, kijken we maar naar de kaakslag over de hele planeet; hele wouden die verdwijnen om er vakantiehuisjes van te maken voor rijke japanners. Als dat geen domheid is…Het is een denken op zeer korte termijn; men houdt geen rekening met de komende generaties. Met de huidige economie gaan we naar een catastrofe, maar er zijn signalen dat hetzelfde analytische verstand, dat dezelfde technische vermogens die aangewend worden, voor een andere kar gespannen kunnen worden en zo het tij doen keren. De Engelsen zijn erin geslaagd de kwaliteit van de Thames te verbeteren zodat er opnieuw vissen in kunnen overleven. Technocraten zijn onverbeterlijke optimisten: het kan niet slecht gaan, want zij kunnen de techniek inschakelen om correcties aan te brengen. Maar er zijn bepaalde ontwikkelingen die irreversibel zijn. En dat wordt allemaal uiteengezet in een prachtig boek van Andre Klukhuhn (uitgegeven bij De Arbeiderspers) die in 1996 de laureaat was van de vrijzinnige conferenties. Hij komt uit de chemie en is een exact wetenschapper, maar hij is tegelijk perfect op de hoogte van literatuur, poëzie, filosofie; hij is dus omnivalent. Hij wijst in zijn boek op het gevaar van irreversibele ontwikkelingen. We moeten het probleem van de bevolkingsexplosie zeer ernstig opvatten. We zitten aan 7 miljard mensen; dat kan om de 35 jaar verdubbelen, maar niet onbeperkt. We kunnen alleen maar hopen dat de kwaliteit van het mannelijke zaad blijft achteruitgaan en we minder kinderen zullen hebben, (lacht). Dat zal dus waarschijnlijk ook gebeuren. Er zijn zo van die correctoren die ineens optreden.

In de Middeleeuwen zou men dit predestinatie noemen.

Ja, van tijd gebeuren er dingen, je weet niet hoe… ze komen uiteindelijk goed. Maar er is ook de afbraak van de ozonlaag, de toename van kanker, bepaalde immuniteitsproblemen… men heeft een heleboel ziekten veel minder onder controle dan men zou denken. Ik ben geen katholiek die de familie verdedigt, maar ik was op een congres over pedofilie met Amerikaanse specialisten die zeer pessimistisch denken over de toekomst van de jeugd, waar niemand zich nog mee bezighoudt. Het onderwijs heeft veel te weinig middelen. Niet dat er geen mensen zouden zijn die het zich niet aantrekken. Maar wat kunt ge doen met een klas van 30 lastige kinderen… en wanneer de ouders het zich ook niet meer aantrekken en hun kinderen de hele avond voor de tv laten zitten… Niet alleen de familie gaat teloor, er is ook de verantwoordelijkheden en de betrokkenheid voor mekaar. Er is een moraal , maar moraal is niet zomaar een geheel van plichten. Men moet de mensen overreden, en dat houdt het risico in dat men ongelijk kan hebben. Men dient jongeren in een dialoog te betrekken en hen als volwaardige subjecten erkennen; en leren luisteren naar hen.

Leerling en Gezel

U wenst dat de leerling (laat ons even het beeld van de gezel en de meester voor ogen houden), dat de gezel op een bepaald ogenblik de meester verrast en overtreft. En i.p.v. een moraal of een stelsel van regels ingelepeld te krijgen eerder een systeem van zelfstandig denken ontwikkelt, waardoor de gezel constateert dat hij na jaren opleiding tot een inzicht is gekomen dat ook de leraar bevredigt, daar deze ook iets heeft teruggekregen.

Dethier: “Men moet terugkrijgen van de leerlingen. Het is fijn leerlingen te vinden, vroegere discipelen, die je overtroffen hebben, die verder zijn gegaan, die eigen wegen en eigen inzichten hebben ontwikkeld en waar je zelf iets uit leert. Ik heb zeer goede contacten met studenten. Ik heb ze nooit autoritair behandeld. Ik stel me niet als een Heilige Geest op. Ik laat me ook langs mijn zwakke kanten zien. Ik behoor misschien van de mannen tot de meest vrouwelijke collega’s. Die passiviteit, dat geduld dat komt waarschijnlijk ook wel doordat ik een zoon heb die zwaar mentaal gehandicapt is. Ik heb het geduld geleerd door te luisteren naar iemand die niet kan spreken en me een heleboel dingen vertelt. Ik geloof niet dat ik verstandig ben , ik weet niet of ik natuurkundige of wiskundige had kunnen worden. Dan had men mijn pure verstand kunnen afmeten. Als men het IQ meet, dan meet men bepaalde dingen, en niet andere die heel belangrijk zijn. Ik vind het verschrikkelijk wat er bijvoorbeeld ook gebeurt met die multiple choice. Ik zou haast als boutade zeggen: “Hoe beter je slaagt in multiple choice, hoe dommer je bent.” Want er wordt met een heleboel interpretaties geen rekening gehouden. Wie begint na te denken ziet verschillende mogelijkheden en ziet dat de vragen verkeerd gesteld zijn. Men zou zowel het één als het andere kunnen aankruisen. Het is zo’n summiere benadering en ik vind het beschamend voor de VUB dat men met zo’n dingen bezig is. Wij hebben van tijd zeer goede studenten die slecht scoren en die daardoor een graad verliezen. Men moet over antwoorden zelf kunnen nadenken en interpreteren. Als men zelf tot object wordt herleid en onderworpen wordt aan multiple choice. Enfin, zolang het maar niet in de filosofie wordt ingevoerd. Daar krijgen de studenten tenminste nog de kans een heel verhaal te schrijven.

In onze cultuur, die omschreven wordt als een beeldcultuur, worden jongeren geconfronteerd met een enorme hoeveelheid (beeld)taal die zij moeten slikken. Zij blijken zich moeilijker te kunnen concentreren in de tijd. Dient men in ons onderwijs niet meer contemplatie in te voeren? Is het niet noodzakelijk zich meer te bezinnen, stil te staan bij de dingen, af te wachten, te laten gebeuren…terwijl de mediacultuur het tegenovergestelde veroorzaakt. Het flitsende maakt bijvoorbeeld dat films met psychologische diepte door jongeren minder geapprecieerd worden dan actiefilms. Zij geven zich niet de tijd de fascinatie van diepere relatiestructuren en een trager verhaalverloop tot zich te laten komen. Hoe kan het onderwijs daar op inspelen?

“Het moet in het onderwijs gebeuren. Men moet erop inspelen. Men moet er de nodige tijd voor vrijmaken. Men dient dus leerkrachten te hebben die in die geest werken. Er is die gevoeligheid , die aandacht voor het oosten waaruit heel wat kan geput en geleerd worden. Er is natuurlijk ook een gevaarlijke kant aan het oosten die ook met dat geduld te maken heeft, nl. dat men zomaar het kapitalisme aanvaardt zoals het op ons afkomt. In Duitse bedrijven leert men zenboeddhistische meditatie opdat de arbeiders die stress beter zouden aankunnen. En dus ook niet ongeduldig in staking zouden gaan. Weer is de zaak hier ongelooflijk subtiel, maar dat neemt niet weg dat we dat geduld moeten leren. Door meditatie kunnen we ons eigen denken uitdiepen en ons beter concentreren. Want meditatie is lediging van gedachten, waarbij men probeert bij zichzelf te zijn. Terwijl het anderzijds een inoefening van problemen is, een manier om bepaalde problemen fenomenologisch te benaderen, ze los te rukken uit een bepaalde context die storend kan zijn, om tot de zaak zelf door te dringen. Zoals ook twee jonge mensen die huwelijksproblemen hebben zichzelf afzonderen en samen op reis gaan en in de stilte, binnen nieuwe landschappen (binnen nieuwe “landscapes”) tot een nieuwe mindscape komen en zichzelf van heel wat slakken proberen te bevrijden en elkaar daadwerkelijk proberen te ontmoeten, met geduld en aandacht voor mekaar. Ik geloof dat, als een filosoof met zijn studenten een tekst aandachtig wenst te lezen en niet over die tekst heen wil gaan, maar die tekst wil laten spreken, hij een zeer belangrijke concentratiearbeid, die ook een meditatiearbeid is, aan het verrichten is. We doen het misschien veel te weinig. Katholieken blijken het dus toch nog te doen. Ik zelf zonder mij regelmatig af.”

U neemt dan geen GSM mee?

Dethier: (lacht) “Nee, ik heb dat niet, nee. Het ene moet het andere ontberen. Ik ben naar een religieus meditatiecentrum gegaan, waar men contacten wenste met atheïsten. Ik verblijf er telkens enkele dagen. En het is daar zeer rustig. Ik praat met de paters. Naar aanleiding van het sacrament van het vormsel waren er een heleboel toekomstige communicanten aan wie men leerde te mediteren. Zulks kan natuurlijk op verschillende manieren. Het hoeft niet altijd volgens een zenboeddhistisch model. Met jongeren in eenzaamheid gaan bevalt me. Ik ben ongelovig , maar ik ga vaak in kerken, omdat dit rustpunten zij in de stad. Ik word aangetrokken door de esthetische kanten van de kerk en door de stilte. Ik zie daar altijd mensen zitten en ik geloof niet dat die allemaal gelovig zijn. Het is een ruimte die noopt tot een ontmoeting met jezelf en waar je tot jezelf kan komen. We hebben stilte broodnodig. En het zwijgen… Het is ons werk als filosoof om te praten. Het spreken leidt ons tot mekaar. Men merkt bv. op feesten dat wanneer iedereen is uitgepraat, men een soort van feestvierder nodig heeft. Iemand die moppen vertelt, een entertainer die alles bij mekaar houdt wat anders uit mekaar zou spatten.

Terwijl het geheel feitelijk op dat moment reeds uit mekaar ligt…

“Als men met moppen begint, is het feest voorbij en wordt alles kunstmatig bij mekaar gehouden. Er zijn natuurlijk verschillende soorten van zwijgen. Er is het vijandige zwijgen en er is het bewonderende zwijgen. Je mond valt gewoon open van verwondering. Er is het geheimzinnige zwijgen. Je staat in het hoekje en je komt erbij en plots zwijgt iedereen, waardoor je weet dat men over jou bezig was. Maar er is ook een zwijgen dat niet van buiten komt of door uiterlijke omstandigheden wordt opgelegd, maar dat diep van binnen uit komt en dat te maken heeft met de wanhoop, met de situatie in de wereld. Als we ons bezinnen over de reden van ons bestaan leidt dat tot reflecties over de dood en over een poging om de balans op te maken over ons leven en dat is meestal niet erg positief. Dan wordt je opgezogen door een macht in je en zou je willen sterven. Maar toch kom je weer tot leven en kom je tot jezelf en ben je misschien sterker dan tevoren.”

De romanticus die staat voor permanente vernieuwing…

Om te vernieuwen moet je eerst sterven. Nietzsche zond vreemde nieuwjaarskaarten naar zijn vrienden: hij wenste hen veel ongeluk toe. Je moet je vrienden geen geluk toewensen, want daarmee bewijs je ze een slechte dienst. Door de ondergang van iets te beleven, ook de ondergang zelf, kom je tot bezinning en kun je vernieuwen, en zal je als een zieke genezen en veel sterker worden. We moeten allemaal diep ongelukkig kunnen zijn; geradbraakt zijn geweest om echt diepmenselijk te kunnen worden. Maar het mag niet allemaal ongeluk zijn want dan geraak je verbitterd en wordt je agressief, vol ressentiment jegens de ander (ik heb het niet gehad, en jij zult het ook niet krijgen)… In het onderwijs zijn bvb. heel wat mensen tegen de jeugd, precies omdat hen hun toekomst niet gegund wordt. Men kan overigens op diverse manieren oud worden. Men kan wijzer worden; men kan zoveel meegemaakt hebben dat niets je nog kan schelen; maar je kan daardoor ook een huis zijn waarin anderen kunnen binnentreden.

Treedt er dan gelatenheid op?

Een soort gelatenheid die geen passiviteit is, maar een geduld, een openheid. Ruimte in je maken voor de anderen. De meeste mensen zijn compact, ze hebben geen innerlijke ruimte en je kan er niet binnen. Hetzelfde geldt voor romans. In een roman moet er een ruimte zijn waarbinnen je je kunt bewegen.
De gelatenheid houdt in dat men bepaalde mislukkingen kan accepteren. Bij Nietzsche is de gelatenheid nog geen passiviteit, ondanks de verschrikking en het tragische dat we ondergaan. Tragisch is de splijting van de rede, zoals bij Kant beschreven. De ambiguïteit waarmee we moeten leren leven.
Tragisch zou men het kunnen noemen dat we dit gesprek in het volgende nummer van Akademos moeten verder zetten. Hubert Dethier heeft het dan oa. over Herman Brusselmans, Karl Marx en de vrijmetselarij.

Deel 2: Ik kan niet zeggen dat Jezus niet mijn vriend zou kunnen zijn. Herman Brusselmans daarentegen is de domheid zelve.

U hebt het over mensen en over romans als open huizen, waarin anderen kunnen rusten en inspiratie kunnen opdoen. Geldt dit ook voor sektes?

Dethier: “Nee, sektes zijn schijnbare huizen waar men op het eerste zicht goed ontvangen wordt. Kijk maar naar de getuigen van Jehova. Zij maken een fantastische indruk bij mensen met mislukte gezinnen en gescheiden ouders. Hun gezelligheid en hun huiselijkheid en hun openheid. Die ogenschijnlijke verdraagzaamheid is een list. Pure sluwheid, want op een bepaald ogenblik als je niet meedoet, word je vijandig benaderd en uitgespuwd. Dus men speelde komedie. Sekten hebben fantastische façades. Net als seriemoordenaars overigens die gezellig kunnen praten en sympathiek overkomen. Vandaar dat men hun dossier moet kennen. Het zijn narcisten.

Ik heb contacten gehad met getuigen van Jehova. Ik praatte met hen om te weten hoe ze dachten. Ik heb in mijn eigen familie een Jehova zaak gehad. Van het ogenblik dat ik niet meer wilde meedoen, werd ik hun vijand.”

Plaatst u boeddhistische gemeenschappen in dezelfde orde als getuigen van Jehova?

“Neen. Het boeddhisme en de boeddhistische gemeenschappen zijn geen sekten, omdat er zoveel inspannende studie en arbeid aan voorafgaat. Die mensen zitten niet afgesloten. Ze komen tot een innerlijke overtuiging en weten ontzettend veel. Sekteleden daarentegen zijn verstandige dommen.
Getuigen van Jehova kennen bv. niets van de Bijbel. Hun horizonten zijn verstikkend. Zij vinden zichzelf eigenaars van de waarheid. Boeddhisten zijn daarentegen steeds bezig de waarheid te zoeken, hun leven te verdiepen. Ze bestuderen bv. het leven van Boeddha, wat bijzonder aangrijpend is, zoals het leven van Jezus dat ook is. Ik kan niet zeggen dat Jezus niet mijn vriend zou kunnen zijn. Ik vind de bijbel en de gecanoniseerde evangelies indrukwekkend. Dat is allemaal veel te belangrijk dat het niet gelezen zou worden door vrijzinnigen. Ik ben er altijd voor opgekomen – en dat heeft me in het begin wel wat vijandschappen bezorgd- om ook binnen het moraalonderwijs gebruik te maken van de bijbel. Daar kan je iets fantastisch mee maken. Ook al die religieuze teksten die aan de oorsprong liggen van onze beschaving, ik vind dat we daar met enig respect mee moeten omgaan en proberen te begrijpen. Het zijn echt encyclopedieën. Men vindt er de neerslag van alles waarover de mens heeft nagedacht. Deze teksten zijn heel wat minder enggeestig dan een heleboel positivistische geschriften die voor wetenschappelijk doorgaan. Er is een bedrijven van wetenschap dat ik veel erger vind dan de meest verschrikkelijke religieuze teksten.”

Hebt u zelf als individu de behoefte gevoeld bij een beweging aan te sluiten? U bezoekt kerken, u mediteert, u kent boeddhistische gemeenschappen… Bent u ooit lid geweest? Of zegt u: ik ken anderen die lid zijn, en besef dat ik toch niet ben als hen. Ik proef ervan, ga erin op… maar word geen lid. Terwijl anderen zeer open blijven en wel lid worden van een spirituele gemeenschap.

“Een spirituele gemeenschap die andersdenkenden weigert, in die zin dat zij zogezegd de waarheid in pacht heeft en dat zij zegt hoe jij moet denken en leven, daar is geen enkele spirituele activiteit. Dat is gewoon volgzaamheid en gehoorzaamheid. Dat is een bepaalde doctrine waarmee gij u moet vullen, zodanig dat ge u van uzelf ledigt.”

Engagement

Hoe staat u tegenover erediensten? Is er een verschil tussen een priester en bvb. een boeddhistische ceremonieleider?

Dethier: “De islam bv. is geen kerk. Binnen het boeddhisme is er een betrekkelijke kerkvorming. Opdat er een kerk zou zijn, moet er een doctrine zijn die eventueel geverifieerd en aangepast kan worden. Er moeten genademiddelen zijn (sacramenten bv.) en er moeten zeer bepaalde ambten zijn die bemiddelen met het goddelijke. De katholieke priester is een bemiddelaar met God. De imam is dat niet. De meeste religieuze voorgangers zijn dat niet. Hij volgt een bepaald model en staat er dichter bij dan de gewone sterveling. Hij is een geïllumineerde, een verlichter en kan ons op de weg helpen. Ik ben zelf in contact met een spiritueel leider van een boeddhistische gemeenschap. Die man studeert enorm veel. Hij is een zoeker. Het boeddhisme is geen afgebakende kennis die als een waarheid wordt aangeboden.

Maar ik moet eerlijk zeggen, en dat is een boeiende ambiguïteit, en ik zie dat ook bij mijn katholieke vrienden als Georges Deschrijver. Zij staan daar binnen een systeem dat autoritair is en de waarheid in pacht heeft, maar dat ongelooflijk innerlijk verdeeld is. Jezuïeten en zeker de bevrijdingstheologen hebben het op dit ogenblik niet voor de wind, onder deze paus en onder deze curie, maar ze noemen dat een christelijke traditie die hen heeft aangegrepen in hun jeugd en die ze trouw wensen te blijven.

Ze menen dat ze armslag genoeg hebben om eigen activiteit te ontwikkelen binnen een lichaam waar ze ontzettend veel van verwachten.”

Zoeken zij geborgenheid?

“Ja, ze zoeken niet alleen geborgenheid, maar ze menen ook dat ze door dat lichaam van die kerk innerlijk te transformeren, ze daar ook een grote maatschappelijke politieke katalysator zouden van kunnen maken.”

Een engagement dus…

“Als geëngageerde filosoof bereik ik niets. Ik kan alleen een paar mensen beïnvloeden, een paar discipelen hebben. Ik kan niet ingrijpen op de wereldproblemen of op de problemen in dit land of ik moet een Nobelprijswinnaar zijn als Prigogine die een ontzaglijke tribune krijgt… en dan nog. Maar als ik bv. lid ben van de SP en een dominante, invloedrijke functie zou kunnen bekleden binnen de SP, en tot op bepaalde hoogte ideoloog zou kunnen zijn van die partij, dan zou ik misschien veel meer uitstraling hebben, maar het kan mijn filosoof zijn natuurlijk in gevaar brengen.”
U waarschuwt toch vaak tegen middelmatigheid. Is politiek middelmatigheid?

“Politiek is inderdaad middelmatigheid. Nochtans schiet ik niet op de politiek en ik ben zeer lang, zoals Sartre dat noemde, “compagnon de route” geweest, een soort van gezel die altijd onderweg is, met communisten en ook met socialisten.”

Marx

U bent één van de laatste marxisten…?

Dethier: “Ja, ik ben een overtuigd marxist. Pas op, geen marxist-leninist. Ik geloof niet in een zeer bepaalde, misschien noodzakelijke vervlakking die er geweest is van het werk van Marx, door Lenin en een heleboel zgn. marxisten die ideologen waren. Dat is op zichzelf begrijpelijk, omdat het werk van Marx moeilijk is en het in feite naar de mensen moet gebracht worden. Ik ben lang voorzitter geweest van het marxistisch studiecentrum van het ABVV, gelokaliseerd in Vilvoorde, samen met Maxime Stroobants.
Ik ben daar 15 jaar bezig geweest met de opleiding van basismilitanten en lesgeven over marxisme, me daarbij inspannend het werk van Marx zo min mogelijk te vervalsen. Maar Marx biedt ons toch een instrumentarium om een trefzekere röntgenopname te maken van wat er aan het gebeuren is. Het marxisme van een groot denker als Ernest Mandel, die de paus (lacht) was van de 4de Internationale, is iemand die denkt vanuit een overtuiging en geen propagandist is. Hij was zeer verhelderend. En ik denk dat het marxisme in een andere vorm een zekere toekomst heeft. De filosofen en de grote literatuurwetenschappers van dit ogenblik zijn marxisten. Ik denk aan Frederik Jameson in de VS, ik denk aan Edward Saïd, met zijn grondwerk over oriëntalisme. Vergeten we niet, dat zijn marxisten. Die werken aan zeer grote Amerikaanse universiteiten. Zij hebben een marxisme uitgewerkt dat terug gaat tot Adorno en de Frankfurter Schule. Het is een marxisme dat het in de vroegere Oostbloklanden moeilijk had.”

Het was een libertair socialisme.

“Ja, en het verbond Freud met Marx.”
Wat vindt u dan van de uitspraak van Leopold Flam, nl. dat hij in de geschriften van Marx reeds de concentratiekampen en dus de goelag kon terugvinden.
“(niet overtuigd) Ja… dat is extreem. Dat is extreem. Ik kan me best voorstellen wat hij gevoeld moet hebben wanneer hij die werken van Marx las. Marx kan zeer autoritair zijn. Marx kan ongenadig zijn.”

Duitse denkers zijn meestal zeer rigide…

“Ja, hij kan erop losgaan. Hij kon fulmineren en demoniseren tegen bv. Proudhon. Hij had iets zeer onverdraagzaams in hem. Ik vind dat niet sympathiek. Marx heeft een evolutie afgelegd. De jonge Marx is sterk door Hegel geïnspireerd. Er is de latere Marx waar vooral de wetenschappelijke methode van Spinoza meer greep op zal hebben. Er is de Schotse Verlichting, met mensen als Adam Smith en Ricardo.”

Dat was de econoom Marx.

“Ja, meer de econoom en minder de filosoof. Men ziet hem evolueren van een zoekende filosoof naar een ideoloog. Al blijft hij filosoof. Als men een filosofie wil die de wereld wil veranderen, dan dient zij ideologie te worden. Men kan niet altijd voortdurend zichzelf ondermijnen en de tak doorzagen waar men op zit. Op een bepaald ogenblik moet men zeggen: er is een waarheid. Als ik voor de Renault fabrieken een meeting geef en zeg: “Kameraden, heb ik mij niet vergist… zou het ook niet anders kunnen zijn?” dan kan ik niets veranderen. Dan vrees ik ambiguïteit. Ik heb daar mijn hele leven lang onder geleden. Mijn hele leven lang.”
De marxistische ideologie heeft u beïnvloed, heeft jongeren die nu dertigers zijn, beïnvloed, maar daarna werden de opkomende generaties er niet meer mee geconfronteerd.
“Het is zelfs weggevallen.”

Is dat geen verarming?

“Dat is een ongelooflijke verarming. Een cultuurverarming! Alleen al dat denken over Marx’ publicaties, over creatieve doorvoeringen van dat denken, zoals we die toch nog hadden met Marcuse enz. Marcuse is ook helemaal verdwenen. Stel je voor, Marcuse wordt niet meer gelezen door deze generatie studenten. Ik spreek erover, maar andere collega’s spreken er waarschijnlijk niet meer over. Ik vind het verschrikkelijk dat zoiets zou verloren gaan. Het is van een ongelooflijke rijkdom ondanks een aantal tekortkomingen. Men moet op Marcuse de kritiek van het postmodernisme toepassen, maar het blijft desalniettemin overeind staan.

Ik ben geen postmodernist, maar ik heb veel respect voor de degelijkheid van het postmodernisme. Het marxisme moest aan zware kritiek onderworpen worden, wat bij Leotard, die een vooraanstaande marxist is geweest, gebeurd is. Maar die ontzettend goede kritieken heeft geuit. Maar er moet toch iets nieuws overeind komen. Het einde van de grote verhalen… oké, maar het postmodernisme moet zelf geen groot nieuw verhaal worden. Het is op dit ogenblik zelf zijn eigen groot verhaal aan het schrijven. Het is toch een soort van nihilisme, en daar kunnen we niet bij blijven stilstaan.”

Eiland

De oplossing voor dat nihilisme vindt u in esthetiek en Eros. U vertoeft in een vrijzone die zich buiten de economische orde bevindt. De nefaste invloeden van het maatschappelijk bestel hebben geen invloed meer op u. Dat is uw eiland van vrijheid en bezinning, maar als u terug in de wereld stapt, bent u marxist.

“Ja ja…”

Is dat wel de oplossing voor de zingeving van ons bestaan? Want we hebben geen impact op de economische evolutie. Stel dat het economische dusdanig evolueert dat we geen ruimte meer hebben om die Eros te beleven, zoals we die zouden willen beleven.

U zegt ook dat het niet de moraal is die onderdrukt, maar de concurrentie die de nijd en de haat veroorzaakt. Wat als die concurrentie zo diep gaat dat jongeren niet meer in staat zijn van dat rustpunt te vinden, van de tekst aangereikt te krijgen om zo hun eigen weg te gaan.

“We blijven ons hele leven door dezelfde… en toch zijn we niet dezelfde. Met verschillende breukpunten waarlangs wij dus evolueren. Wij nemen verschillende ik-posities in tijdens ons leven. De culturele en familiale context verandert. Ik ben niet meer degene die ik was toen ik 20 of 50 was. Telkens waren bepaalde boeken, bepaalde denkers, bepaalde personen veel belangrijker dan dat ze nu op dit ogenblik zijn. Er zijn er anderen in de plaats getreden en men kan nochtans niet spreken van breuken, want door het geheugen blijft men zich herinneren (althans gedeeltelijk) wie men was. We blijven, als we het synchroon bekijken, verschillende ikken tegelijk. Wij spelen want we zitten in verschillende rolpatronen. We spelen huisvader, geïnterviewde. Dan weer vecht je met een zeer bepaalde hiërarchie. Dan ben je actief in een bepaalde partij. Het zijn allemaal andere gevoeligheden. We stellen ons strategisch altijd anders op. We zijn een kerkhof van al diegenen die we geweest zijn. We zijn ook een kerkhof van al diegenen die we hadden willen worden en niet geworden zijn en die als fantasmen in ons blijven sluimeren en die we voor een stuk kennen en waarmee we toch proberen te leven. Dus als ik zeg dat we in een kerkhof leven en ik ga nadien naar een meeting, dat zijn twee aspecten, dat zijn twee ikken in mij, die alterneren, die elkaar aanvullen, die met elkaar dialogeren. Maar die niet leiden tot echte inconsequentie. Nu goed, mocht dat inconsequentie zijn, dan ben ik inconsequent. Want we veranderen. Maar er is nochtans de trouw aan het leven, de trouw aan een project. We moeten niet teveel van links naar rechts gaan. We moeten ons informeren en zo genuanceerd mogelijk op de hoogte zijn van een heleboel dingen om ons zeer voorzichtig naar voren toe bewegen. Ik geloof dat die vooruitgang in ons leven toch heel belangrijk is. Er is een toename van vrijheid, van weten en eventueel van redelijkheid. Het kan natuurlijk verschrikkelijk mislukken, hé. Men ziet dat bij sommigen het leven totaal in mekaar stort. En leidt tot zelfmoord of tot ongecontroleerde irrationele handelingen. Oude mensen die gewoon kwaadaardig worden door oud te worden en die zich wreken op de jeugd.

Er is dus die continuïteit. Er zijn inderdaad de verschillende rollen die ik speel. Ik ben niet meer de marxist die op de barricades staat. Ik geloof dat het marxisme op dit ogenblik een zaak moet zijn van bezinning en van studie en van verder boren in die geweldige probleemvelden die Marx opengelegd heeft, zoals Fredric Jameson en Eric Hobsbawm en Ernest Mandel dat deden. Die hebben een geweldige inbreng tot de cultuur van onze tijd, in die mate dat zij elementen hebben aangebracht die ons toelaten onze huidige situatie beter te begrijpen. En die ons zou kunnen bevrijden van een al te goedkoop optimisme. Net zoals André Klukhuhn die al te optimistische technocraten feliciteert voor hun schranderheid, maar er ook op wijst waar ze tekortschieten, waaraan ze niet gedacht hebben.

Ik geloof dat we die technocratie allemaal nodig hebben, dat we het marxisme nodig hebben, maar dat in feite niet meer de grote waarheden zullen zijn van onze tijden. En indien het marxisme nog een rol zal spelen, dan is het wegens zijn grote analytische kracht. We doorlopen verschillende fasen van het kapitalisme. We hebben dat dankzij die denkers beter leren kennen en van binnenin bekijken en analyseren zodanig dat we beter weten waar we nu staan.

Maar er moet binnen dat marxisme ruimte zijn voor persoonlijke overtuigingen en inzichten voor de ongelovigen.”

Men moet blijven kritiseren…

“Ja. De media dienen kritiek te leveren op wat niet verloopt zoals het zou moeten zijn. Elke week wordt er veel kritiek gespuid in magazines als Humo. Ik vind het goed, maar pas op, de mensen zijn weer eigenaars geworden van de waarheid. Met al hun kritiek. Kritiek gebeurt altijd op een zeer bepaalde manier. Ik zie dat ook bij onze studenten… Wie wordt gelezen? De grote vedetten. De jeugd koopt Humo. En Humo weet dat zeer goed en die gaan de commerciële toer op. En wat krijgen ze te lezen? Herman Brusselmans. De domheid zelve. Dat heeft geen naam. De man kan een beetje schrijven, maar heeft niets te zeggen. Dat is allemaal shit en kak, het heeft geen niveau. Of Kamagurka en zo verder. Dat is het wat de jonge lezers krijgen. En dat zijn de mensen waarover het gaat. Een kerel als Brusselmans kan zich permitteren te schelden op eender wie. Die man wordt een soort van goeroe voor de jeugd. En hij is de domheid zelve. Ik kan me moeilijker een dommer mens voorstellen. Een kritisch blad zoals Humo doet toch aan bepaalde dingen. Dan zie je ook dat vanuit diezelfde Humo een ploeg bekwame journalisten de culturele sector ingaan.

Geen enkel boek van mij wordt besproken in De Morgen. Het is allemaal niet populair genoeg. Maar sommigen die evenmin populair zijn worden dus wel besproken. Op bepaalde ogenblikken word je niet schizofreen maar toch zeer argwanend, paranoïde.  Hoe komt dat? Ik heb onlangs gereageerd tegen de zoveelste scheldpartij tegen Hubert Lampo. Dat is de zgn. man geweest van het establishment en dan wordt het kind met badwater uitgegoten. Tegen elke auteur valt iets te zeggen, maar het is een soort van mode geworden. Een boom waartegen men kan staan pissen natuurlijk. Daar kan ik dus niet tegen. Lampo is en blijft één van onze grootste schrijvers. Zijn magisch realisme wordt als kitsch afgewezen. Ze doen dus net hetzelfde als die grote goeroes in de moderne kunst, die staan ook in de schaduw van het sacrale. Er is een nieuw academisme dat tegelijk een soort van avant-garde is. Er is een officiële avant-garde. Dat is Jan Hoet en die curatoren van Kassel. Zij hebben een ongelooflijke invloed, dat zijn de grote smaakmakers. Die zeggen wat voor een hele tijd de vorm en de invloed van het kunstwerk zal zijn.”

Is dat niet altijd zo geweest?

“Niet in die mate. De beurzen maken bepaalde kunstenaars groot.”

Waardoor er kunstenaars komen die dan weer gaan tegen reageren…

“Ja. Ja. Maar er zijn een heleboel kunstenaars, zeg maar avant-garde, die niet aan bod komen. Ik heb een expo van hedendaagse figuratieve schilders ingeleid. Er zitten daar ontzaglijk goede werken bij. De enige wandaad van die mensen is dat ze nog steeds figuratief schilderen en ook een beetje in de trend van het surrealisme. Momenteel denkt niemand eraan René Magritte een zeveraar te vinden en zijn werk kitsch. Al denken ze dat wel. Maar het is altijd zo geweest: de avant-garde van nu wordt de kitsch van morgen.

Als men echt kritisch wil zijn, moet men nuanceren.

Het is het modieuze denken dat van tijd echt kitscherig is. De echte kitsch voor mij is de smaakloze kitsch ofwel Herman Brusselmans. En zijn trawanten. En mensen die in die geest werken.

Informatieplicht

Kan men mensen verplichten iets anders te lezen, naast bvb. de columns van Brusselmans?

“Nee, nee. Natuurlijk niet.”

Wie reikt hen dan het andere aan?

“De leerkrachten. Er staan immers genoeg artikels om in klasverband te bespreken, met de leraar, en niet enkel in de lessen moraal. Leerkrachten moeten die jonge mensen kunnen blijven fascineren. En moeten op de hoogte zijn van wat hen echt interesseert. Men moet hen ook weer niet als klungels zien aan wie de waarheid moet worden aangebracht. Ze moeten ook zien dat ze zeer belangrijk zijn.

Dat brengt ons bij het begrip informatieplicht. Grote delen van een bevolking is stemgerechtigd, maar niet in staat zich een mening te vormen. Omdat ze zich niet geïnformeerd hebben. Nochtans als iemand arts is, of leerkracht, moet hij een bewijs afleveren van kunnen door middel van examens en een diploma en getuigenis geven van een kunnen en een kennen. Om te gaan stemmen dient men geen getuigenis te geven van een inzicht in bepaalde materies. Vindt u het elitair deze zaak zo te benaderen?”

Kruithof zou zeggen: je moet in dat opzicht wel een beetje autoritair zijn. Wie het Amazonewoud gaat omhakken, die wacht het executiepeloton (lacht).
“Zonder dwang gaat het soms niet. Greenpeace treedt toch ook martiaal op. Ik denk dat er een soort van informatieplicht is en dat men het in de praktijk goed moet komen uitleggen. In de scholen en culturele centra moeten mensen gevormd worden die kunnen dialogeren over die onderwerpen waarin de mensen belangstelling hebben. Maar dat is een moeizame weg. Dat doen we niet op een paar jaren. Ik denk echter wel dat het kan. Ik heb die hoop niet opgegeven. Maar er moet ontzettend veel veranderen. En er moet veel meer geld gepompt worden in het onderwijs, betere leraars gevormd worden, een betere omgeving gecreëerd. Ik vind dat de commerciële televisie zou moeten afgebouwd worden, enz.. Maar die kerels hebben zich ongelooflijk populair gemaakt. En dat is een vicieuze cirkel.

Nochtans kan men in programma’s op populaire zenders onderwerpen aansnijden en uitdiepen die door die mensen wel bekeken worden. Men moet er toch rekening mee houden dat vele volwassenen niet meer gaan studeren. Dus is het niet eens via dagbladen, maar wel via televisie dat zij te bereiken zijn. Bepaalde programma’s moeten hen meenemen en hun denken doen opengaan.

Naar documentaires zullen ze niet kijken. Misschien moeten we denken aan populaire programma’s als Schalkse Ruiters. Daaruit komt toch een desacraliserende en kritische mentaliteit. Al gaat dat soms ook gepaard met een bepaalde arrogantie en betweterigheid van de mensen die het programma maakten. Dat doet me aan Humo denken.
Maar goed, er zal altijd iets zijn. Het is in ieder geval beter dan al die spelprogramma’s waar geschenken worden uitgedeeld.
Er is in ieder geval nog veel te doen op dat vlak.”

Dethier en de vrijmetselarij

“In verband met godsdiensten en sekten kan ik zeggen dat ik nooit door kerken aangetrokken ben geweest. Ik ben geïnteresseerd in godsdiensten als culturele fenomenen. Ik kan zelfs esthetisch en intellectueel gefascineerd worden door de ontzaglijke rijkdom die in die godsdiensten aanwezig is.

Ik hou van religieuze gebouwen, van kerken en moskeeën. Ik word daar geconfronteerd met mijn eigen atheïstische meditatie. Ik hou van die ruimte als landschappen, waarbinnen men op een andere manier met zichzelf en met anderen geconfronteerd wordt. Maar ik ben er nooit bij aangesloten geweest. Ik ben tot mijn 11de jaar, tot mijn plechtige communie naar de kerk geweest en dan viel ik ook altijd flauw. Ziet u, dat was een ander gebruik van de kerk dat men mij oplegde. Terwijl ik nu heel vrijwillig naar een kerk toe ga en ook de mis volg, bv. tijdens een begrafenis. Ik ga niet zoals een betweter of zoals een wereldverbeteraar ostentatief voor de kerk blijven staan om te zeggen: “Ik ben atheïst, ik ben vrijmetselaar.” Nee, ik ga voor respect, ook voor de familie, soms ook voor een priester die ik ken en die zeer genuanceerd is. Ik ben wel vrijmetselaar, omdat de vrijmetselarij een zeer open systeem is. En het belangrijkste wat je kan beletten tot de vrijmetselarij toe te treden is in feite dat je geen respect zou hebben voor andersdenkenden. Je wordt daar in feite geconfronteerd met radicaal anderen. En dat is ook een geweldige les in bescheidenheid.

Ik moet niet in de vrijmetselarij mijn marxisme gaan verkondigen, al krijg ik, gelukkig maar, daar wel de kans toe. Er zijn nog andere marxisten bij. Maar ik krijg ook de kans met liberalen en andere geaardheden van vrijdenkerij contact te nemen, die bewondering afdwingen en zeer overtuigend zijn en van wie de ideeën ook in alle broederlijkheid en vriendschap worden medegedeeld. Dit maal niet om mij te overtuigen. Als mensen me vriendschappelijk spreken over wat zeer diep in hen leeft, dan kan ik er niet alleen met veel respect naar luisteren, maar ook ontzettend veel van leren.”

Copyright Willy Coomans


Verlichtingsfundamentalisme bestaat niet en daarom is het Westen superieur.

25 jan 2019 / Jurgen Slembrouck

De term “Verlichtingsfundamentalisme”, die Bart De Wever naar aanleiding van de dood van Etienne Vermeersch gebruikte, is zinledig, argumenteert Jurgen Slembrouck. De geesteshouding om zelf te denken veronderstelt immers de vrijheid om dingen in vraag te stellen en staat haaks op de fundamentalistische gedachte dat je dingen voor waar moet aannemen.

In de extra uitzending van “De Afspraak” die naar aanleiding van de dood van Etienne Vermeersch werd uitgezonden, zei Bart De Wever over Vermeersch dat hij net geen “Verlichtingsfundamentalist” was. Gelukkig viel Tinneke Beeckman hem in de rede en verhinderde ze dat Vermeerschs reputatie werd besmeurd.

Terecht merkte ze op dat het woord “Verlichtingsfundamentalist niet bestaat” omdat het een woord is dat logisch “niet kan”. De Wever liet zich wat onwillig corrigeren en hield het dan maar bij “een sterk Verlichtingsdenker”.
De woordkeuze van De Wever is minder onschuldig dan hij denkt en gelet op zijn eigen overtuiging dat Verlichtingsidealen het morele kompas vormen voor het samenleven in diversiteit, is ze zelfs merkwaardig te noemen. Om zich daarvan te vergewissen nodig ik hem uit voor een lezingencyclus over het actuele belang van de Verlichting. Het zou hem sieren indien hij op 25 februari komt luisteren naar Johan Braeckman, leerling en goede vriend van Vermeersch, die het uitgerekend over Verlichtingsfundamentalisme zal hebben.

Verlichtingsfundamentalisme even onzinnig als “vierkante circel”

Indien hij verhinderd zou zijn, ben ik zo vrij om hem het boekje “Verlichtingsfundamentalisme?” aan te raden van de Nederlandse filosoof en jurist Herman Philipse. Philipse was in de pen gekropen nadat de moslimfundamentalist (dit woord houdt wel steek) Mohammed Bouyeri, Theo van Gogh had vermoord door hem neer te schieten en hem vervolgens de keel over te snijden. Uiteraard in naam van Allah, de barmhartige. Vervolgens had hij met een fileermes een brief op het lichaam van zijn slachtoffer – de term is goed gekozen – gestoken met daarin doodsbedreigingen aan het adres van Ayaan Hirsi Ali, politica en afvallige die door de toenmalige minister van Justitie een “Verlichtingsfundamentalist” was genoemd.
Verlichting is een attitude die mensen aanspoort om zelfstandig te denken en enkel geloof te hechten aan overtuigingen waarvoor voldoende bewijsmateriaal is.
Philipse maakt in zijn boekje duidelijk dat het gebruik van het woord Verlichtingsfundamentalisme net zo zinvol is als het gebruik van “vierkante cirkel. Niets kan eraan voldoen, niet zozeer omdat niets voldoende rond of voldoende vierkant is om eraan te voldoen, maar omdat de eigenschappen rond en vierkant elkaar logisch uitsluiten.” Zo is het ook met ‘Verlichtingsfundamentalisme’. De termen waaruit het woord bestaat, sluiten elkaar uit. ‘Verlichting’ heeft immers betrekking op een attitude die mensen aanspoort om zelfstandig te denken en enkel geloof te hechten aan overtuigingen waarvoor voldoende bewijsmateriaal is. Die essentie werd treffend verwoord door de Verlichtingsfilosofen Immanuel Kant en David Hume.

Durft te denken!

Kant beantwoordde de vraag “Wat is Verlichting?” in 1784 als volgt: “Verlichting is de uittocht van de mens uit zijn aan zichzelf verschuldigde onmondigheid. Onmondigheid is het onvermogen zich zonder leiding van een ander van zijn verstand te bedienen. Aan zichzelf verschuldigd is deze onmondigheid wanneer de oorzaak ervan niet een gebrek aan verstand is, maar een gebrek aan beslistheid en moed om er zich van te bedienen zonder andermans leiding. “Sapere aude! (durft te denken!) Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!” is dus het motto van de Verlichting.”
Kant was diepgaand beïnvloed door David Hume waarvan hij beweerde dat die hem uit zijn “dogmatische sluimer” had gehaald. Hume hield zijn lezers voor dat de sterkte van een overtuiging in overeenstemming moet zijn met de sterkte van het bewijsmateriaal: “A wise man, therefore, proportions his belief to the evidence.”
In afgeleide zin slaat de term “Verlichting” ook op de historische periode waarin die attitude dominant werd en werd toegepast op alles waarnaar men nieuwsgierig was, ook op iets waaraan niet getwijfeld mocht worden: het bestaan van God.

De vrijheid om dingen in vraag te stellen

De term ‘fundamentalisme’ hebben we precies daaraan te danken. Dogmatische gelovigen stelden vast dat onder druk van de Verlichting hun geloofsgenoten steeds liberaler werden en ijverden daarom om terug te keren naar de fundamenten. Onder de algemene titel “The Fundamentals” gaven ze boeken uit over de belangrijkste christelijke, bijbels leerstellingen die letterlijk gevolgd moesten worden. Dat is precies wat Moslimfundamentalisten doen, al beroepen ze zich uiteraard op een ander heilig boek. Maar de oproepen om ongelovigen te doden die je in de Koran aantreft, brengen ze te vuur en te zwaard in de praktijk. Ook wij hebben onze eigen Mohammed Bouyeris, helaas.
De lezer begrijpt nu waarom de term “Verlichtingsfundamentalisme” zinledig is. De geesteshouding om zelf te denken veronderstelt immers de vrijheid om dingen in vraag te stellen en staat haaks op de fundamentalistische gedachte dat je dingen voor waar moet aannemen. De geesteshouding van de Verlichting kan alleen gedijen in een maatschappelijke ordening die het uitoefenen ervan faciliteert. Dat is precies wat de liberale rechtsstaat, die in het Westen tot ontwikkeling is gekomen, doet. Ze biedt alles wat dit vrij onderzoek mogelijk maakt: vrijheid van geweten, vrijheid van vergadering, vrijheid van meningsuiting…
Het vrije Westen is dan ook erg aantrekkelijk voor wie die vrijheid moet missen. Het is dus geen toeval dat de Saudische tiener Rahaf Mohammed al-Qunun asiel aanvroeg in Canada en niet in bijvoorbeeld Pakistan of Indonesië. Want in die landen wordt twijfel en kritiek bestraft met sociale uitsluiting en vaak met erger. Geen toeval dus dat je ook in eigen land het aantal islamitische afvalligen op één hand kan tellen. Daarom is het werk van iemand als Maryam Namazie, die binnenkort in ons land te gast is en het opneemt voor de rechten van vrouwen en ongelovigen, zo belangrijk. Ze heeft net als Darya Safai Iraanse wortels en weet als geen ander wat het betekent om te moeten opgroeien in een islamitische dictatuur.

Etienne Vermeersch omarmde de Verlichtingsidealen

En er is meer, de vrijheid die in de liberale rechtsstaat centraal staat, is niet alleen noodzakelijk voor het geestelijk welzijn van mensen die zelf durven te denken, ze vormde ook het intellectuele substraat dat het Westen zo economische welvarend heeft gemaakt. Iets waarvan je de vele migranten die hier hun toevlucht zoeken niet hoeft te overtuigen.
Het is precies omdat de liberale rechtsstaat die uit het zaad van de Verlichting tot bloei is gekomen en die individuele vrijheid en welvaart mogelijk maakt, dat het Westen superieur is. De suggestie van De Wever dat Vermeersch naar “Verlichtingsfundamentalisme” neigde, is dan ook erg ongelukkig. Zoals Johan Braeckman zal betogen wordt die term eerder gebruikt door lui die weerstand voelen tegenover de idealen van de Verlichting en de spelregels van de liberale rechtsstaat.
Dat gold allerminst voor Etienne Vermeersch. Hij omarmde de Verlichtingsidealen, een fundamentalist kon hij dus onmogelijk zijn.

Bron: VRT