Grijze Geuzen Hasselt

Vrij, vrijzinnig en gastvrij

Varia

De olijke atheïst: filosoferen over de waan van religie

Floris van den Berg – Recensie door Paul Cliteur  11-03-2018

‘In de VS is ‘atheofobie’ oneindig veel groter dan ‘islamofobie’

Heeft het zin om een niet religieus-gelovige wereldbeschouwing uit te dragen? Velen denken dat dit totaal zinloos is of niet onverstandig of kwetsend. Wie liberaal is kan proberen anderen ook liberaal te maken. Wie socialist is kan proberen anderen van de zegeningen van het socialisme te overtuigen. Ook religieus gelovigen, zoals boeddhisten, christenen, moslims – zij hebben allemaal het idee dat het zin heeft met anderen in gesprek te gaan over hun levensbeschouwing en het mooie daarvan naar voren te brengen. Niemand vindt dat gek.
Er bestaat echter een soort universele consensus over atheïsme die inhoudt dat een atheïst geen redelijk belang kan hebben om met zijn ontkenning van God te koop te lopen. Atheïsten die ongevraagd hun mening geven over God krijgen vaak te horen dat dit ‘nutteloos’ is. Dat niemand zit te wachten op zo’n ‘negatieve boodschap’. Maar is dat wel terecht?

Atheofobie

Een van de meest verrassende ontmoetingen die ik ooit heb gehad, was die met een man die ik tegen het lijf liep op een conferentie van de Britse National Secular Society. Hij kwam uit Nederland. En hij was atheïst geworden. Geworden. Waarom? Hij had de boeken van mij, van Johan Braeckman, Dirk Verhofstadt en van Floris van den Berg gelezen. Die argumenten hadden hem overtuigd, gaf hij aan. “Ja, maar dan was er toch al iets aan het veranderen”, wierp ik tegen? “Je was waarschijnlijk al van je geloof afgevallen?”
Mijn gesprekspartner ontkende het categorisch: het was een kwestie van lezen, nadenken en de consequenties trekken uit nadenken. Zijn vrouw had dat ook gedaan en met hetzelfde resultaat. Pikant detail: de kinderen waren nu boos, want die waren nog steeds gelovig. Mijn gesprekspartner vond het jammer dat hij eerst, als vader, al die onzin in die hoofden van zijn kinderen had gebracht en ja, nu zou hij de klok wel willen terugdraaien.

Dit zijn de ontmoetingen waarbij de atheïst kan denken: daar doe ik het voor. En ook atheïsten hebben die opstekers nodig ook, want atheïsme is in bepaalde delen de meest impopulaire levensbeschouwelijke optie die bestaat. Nee, niet alleen in Saoedi-Arabië. Verschillende onderzoeken wijzen uit dat in de Verenigde Staten van Amerika dan ‘islamofobie’ mag bestaan, maar dat de ‘atheofobie’ oneindig veel groter is. Het is uitgesloten dat men een carrière in de Amerikaanse politiek kan maken als expliciet atheïst. In deelstaten bestaan allerlei wettelijke bepalingen die belemmeringen opleggen aan mensen die in de ambtelijke dienst werkzaam willen zijn maar die zich als expliciet ongelovigen bekennen.

Hoe komt dat? Waarom zijn atheïsten zo impopulair? En waarom zou het belangrijk zijn om atheïst te zijn?

Filosofisch systeem

Op die vraag wordt een beredeneerd antwoord gegeven door een van de meest expliciete en welbespraakte atheïsten van Nederland, de Utrechtse filosoof Floris van den Berg. Van den Berg (1973) heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan en het is niet overdreven te zeggen dat hij werkt aan een ‘filosofisch systeem’. Hij is niet alleen atheïst, maar ook veganist, feminist, humanist, vrijdenker en liberaal. Hij denkt ook dat die verschillende posities met elkaar te maken hebben, in die zin dat wie begint als atheïst consequent doordenkend tot de andere posities zou moeten komen die hier worden genoemd. Elk van zijn boeken begint dus met één van die posities, maar al snel wordt duidelijk dat de andere zich daaruit spontaan ontwikkelen.
Er moet iemand zijn geweest die eens tegen Van den Berg heeft gezegd dat hij streng overkomt en sindsdien schrijft hij boeken die een ‘vrolijke’ vertolking geven aan de politieke of levensbeschouwelijke posities in kwestie. Zo schreef hij al De vrolijke veganist (2013) en De vrolijke feminist (2016), maar omdat de Belgische logicus Jean-Paul van Bendegem al een De vrolijke atheist (2012) had geschreven, heeft Van den Berg deze keer een kleine variant gemaakt op die titel.

Literair masochisme

De olijke atheïst begint met een zin die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat:
“De mensheid is beter af zonder religie. Zonder molensteen rond je nek beweeg je vrijer.”
Verfrissend is dat Van den Bergs atheïsme niet met allerlei excuserende formules wordt ingeleid (‘Ik ben ongelovig, sorry, ik wil je niet kwetsen hoor’), maar dat hij zegt “dit boek is missionair atheïstisch”. Wat een verademing na al dat postmoderne gebeuzel van mensen die beweren dat niets beweren de hoogste wijsheid is. Boekgodsdiensten noemt Van den Berg een vorm van ‘literair masochisme’. Hij gaat ervan uit dat mensen verhalen vertellen, dat het overgrote deel van die verhalen onwaar is, en dat de bekendste daarvan ‘religies’ worden genoemd.

Zinnig nadenken over religie

De olijke atheïst geeft vele handige indelingen die ons kunnen helpen bij zinnig nadenken over religie. Zoals deze, waarin hij vier categorieën discussies typeert die vaak onder de vlag van het atheïsme worden gevoerd:

  1. Bestaat god? (epistemologie, metafysica, ontologie, wetenschapsfilosofie).
  2. Is god noodzakelijk als grondslag voor de moraal? (meta-ethiek)
  3. Wat is de beste verhouding tussen overheid en religie?
  4. Wat is goed? (ethiek)

Niets bijzonders? Nou, dat zou ik niet zeggen. Luister maar eens naar de discussies die mensen over dit soort onderwerpen voeren en het gehaspel springt je in het gezicht. Mensen die bijvoorbeeld denken dat de christelijke moraal zo mooi is (4) en op basis daarvan over de eerste drie punten maar wat gaan fantaseren. Of mensen die het gevoel hebben dat ‘god bestaat’ en vandaar in een of andere willekeurige religieuze positie schieten (die van katholicisme, protestantisme of een andere). Of mensen die denken dat je god nodig hebt voor de moraal (2) en daarom beweren dat we pausen en imams maar wat moeten laten zwatelen want anders ‘hebben mensen geen anker’.

Wie stelt moet bewijzen

Van den Bergs boek kan ook gelden als een inleiding in de wetenschapsfilosofie of als een cursus argumentatietheorie. Hij gaat uitvoerig in op de regel ‘dat wie stelt moet bewijzen’. De gelovige draait dat graag om en schrijft de atheïst de pretentie toe dat hij kan bewijzen dat god niet bestaat. ‘Nee’, zegt Van den Berg, ‘wie stelt moet bewijzen’. De atheïst stelt niet dat god niet bestaat, maar dat hij nog geen redelijke bewijzen heeft gehoord die duidelijk maken dat hij wel bestaat. Bovendien, als we het uitgangspunt zouden honoreren dat goden moeten worden geacht te bestaan zolang niet bewezen is dat zij niet bestaan, dan zouden we de hele Homerische godenwereld ook als ‘bestaand’ moeten veronderstellen. Maar zo consequent is de gelovige nu doorgaans weer niet.

Van den Bergs boek deed mij bij vlagen denken aan Paul Nielsens boek How to Debate the Left on Islam (2017). Het is goed geschreven en verveelt eigenlijk geen moment. Beide auteurs hebben ook een scherp oog voor de absurditeiten die mensen ophangen als ze graag dingen willen geloven. Wie Van den Berg leest komt überhaupt onder de indruk van het feit dat linkse mensen redeneren als religieus gelovigen, of liever gezegd: nalaten te redeneren.

Maar ik in heb zelf ook wel even wat te verwerken na lezing van het boek van Van den Berg. En dat heeft betrekking op wat hij over de vleeseters (carnisten) schrijft. De gelovige veganist is moreel superieur aan de carnistische atheïst. Dat was even slikken, maar ook hier geloof ik dat Van den Berg toch wel gelijk heeft.

Bron: TPO


Hoe komen we van religie af?

Floris van den Berg – Recensie door Tom Roth, student Environmental Biology aan de Universiteit Utrecht.

Floris van den Berg is “filosoof en dus atheïst”, zo betoogt hij zelf op de kaft van zijn boek Hoe komen we van religie af? Een ongemakkelijk liberale paradox. Hierin bespreekt de auteur strategieën om religie te ontmoedigen. Het boek is oorspronkelijk uitgebracht in 2009, maar vanwege deelname van de auteur aan het tv-programma Rot op met je religie! van de Evangelische Omroep (EO), is het boek opnieuw uitgegeven. In het desbetreffende programma gaan vier gelovigen en twee atheïsten gedurende twee weken de discussie aan over religie. Hierbij komen gevoelige onderwerpen, zoals religieuze jongensbesnijdenis, abortus, homoseksualiteit en ritueel slachten aan bod. Naar aanleiding van zijn deelname heeft Van den Berg een epiloog toegevoegd aan het boek, die deels zijn ervaringen tijdens de opnames beschrijft.

Het boek behandelt voornamelijk zaken die te maken hebben met moreel atheïsme. Dat volgt uit het feit dat van den Berg als ethicus vooral geïnteresseerd in het leed dat religie veroorzaakt: “Als religie betrekkelijk onschuldig was, zoals het geloof in vliegende schotels, zou ik er persoonlijk niet zo’n belangstelling voor hebben”. De constatering is echter dat religie vaak niet onschuldig is, en tot veel schade leidt. Hoewel de aandacht voornamelijk moet uitgaan naar de kwaadaardigste uitwassen van religie, bepleit de auteur dat ook liberale vormen van religie niet ontzien moeten worden. Hij beschrijft religie als een ziekte die varieert van hinderlijk tot levensbedreigend: de levensbedreigende symptomen moeten eerst geheeld worden, maar de hinderlijke symptomen verdienen ook de aandacht. Daarnaast is het zo dat veel relatief liberale gelovigen alsnog voor schade zorgen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan religieuze jongensbesnijdenis, een zeer gebruikelijke ingreep onder joden en moslims.

Van den Bergs opvattingen over religie passen duidelijk in de nieuw atheïstische stroming, die voornamelijk bekend is door de werken van Richard Dawkins, Daniel Dennett, Sam Harris en Christopher Hitchens. Met deze nieuwe atheïsten deelt Van den Berg dat hij religie niet alleen als onwaar, maar ook als moreel verwerpelijk beschouwt omdat het tot veel pijn en ellende leidt: “Religie is niet de bron van alle kwaad, maar wel van veel door mensen veroorzaakte pijn en ellende.” In het eerste hoofdstuk constateert Van den Berg echter terecht dat veel nieuw atheïstische boeken te kort schieten, omdat ze geen oplossing bieden om van de negatieve effecten van religie af te komen: “Scherpe religiekritieken […] gaan niet in op manieren om ons van religie te verlossen. Als van religie is vastgesteld dat het iets slechts is, en dat is het geval zoals uit veel Nieuw-Atheïsme-boeken overduidelijk blijkt, dan is het tijd om een stap verder te gaan en liberale mogelijkheden te vinden om ons vrij te maken van religie en bijgeloof”.

Van den Berg bespreekt in het tweede hoofdstuk zeventien strategieën om van religie af te komen, die allen voldoen aan het klassiek liberale schadebeginsel dat John Stuart Mill beschrijft in zijn boek On Liberty (1859): de vrijheid mag alleen ingeperkt worden om te verhinderen dat andere individuen schade wordt berokkend. De voorgestelde strategieën betreffen vooral secularisme op meerdere niveaus. Zowel onderwijs, politiek als publieke debatten dienen volgens Van den Berg seculier te zijn, opdat individuele vrijheid en autonomie optimaal gewaarborgd worden.

Onderwijs mag volgens van den Berg wel over religie gaan, maar de overdracht van op bewijs gegronde kennis moet centraal staan, en er mag dus geen religieuze indoctrinatie plaatsvinden. Dit houdt dus in dat religieuze scholen verboden zouden moeten worden, omdat er kennis wordt achtergehouden en onwaarheden worden verteld: “Op calvinistische christelijke scholen is de evolutieleer vrijwel taboe – ze wordt bestempeld als ‘slechts een theorie’. Sommige islamitische scholen verbieden muziek, seksuele voorlichting en illustraties in schoolboeken. En er is een probleem met objectieve kennisoverdracht over de holocaust, de staat Israël, Anne Frank en homoseksualiteit”. De auteur merkt terecht op dat ouders niet het recht zouden moeten hebben om hun kinderen op te schepen met onwaarheden door ze bloot te stellen aan religieus onderwijs. Empirische kennis is tenslotte niet hetzelfde als geloof, en het onthouden van wetenschappelijke kennis beperkt kinderen in hun ontwikkeling. In een open samenleving is het namelijk van belang dat iedereen een vrije toegang tot informatie heeft, zonder censuur.

Op staatsniveau dienen religie en staat strikt gescheiden te zijn volgens de auteur. Hij pleit voor een shift van een multiculturele staat, waarin religie gesubsidieerd en gerespecteerd wordt, naar een neutrale, seculiere staat. Religie zou als privézaak beschouwd moeten worden, en geen privileges moeten krijgen. Dit houdt dus onder andere in dat religieuze onderwijsinstellingen geen financiering van de overheid dienen te krijgen. Wat betreft partijen met een religieuze grondslag is van den Berg er niet geheel uit: “Politieke partijen zouden niet op religieuze leerstellingen gebaseerd dienen te zijn, maar dat is de liberale paradox: mensen kunnen goed geïnformeerd en in alle vrijheid kiezen om op onzinnige gronden een clubje, inclusief een politieke partij, op te richten”. Wel meent de auteur dat politici in functie geen religieuze argumenten dienen te gebruiken, omdat de argumenten voor iedereen begrijpelijk dienen te zijn. Het is dus van belang dat er een gemeenschappelijk vocabulaire is in de politiek en het publieke debat, dat niet-religieus van aard is en daarnaast op morele secularisme is gebaseerd. Filosoof Paul Cliteur noemt dit een moreel Esperanto, en Van den Berg meent dat het kan helpen om tot afspraken te komen in een multireligieuze maatschappij.

Wat betreft een ontmoedigingsbeleid meent Van den Berg dat de regering dezelfde opstelling ten opzichte van religie moet aannemen als ten opzichte van roken: privégebruik is toegestaan voor volwassenen, maar gebruikers moeten worden voorgelicht en andere individuen moeten worden beschermd voor meeroken. De aanpak van religie zou echter iets milder zijn, omdat mensen wel toegestaan moet worden om hun geloof of symbolen daarvan in het openbaar kenbaar te maken. Van den Berg wijst er terecht op dat religieuze symbolen, zoals een hoofddoek, niet verboden hoeven te worden in openbare ruimtes. Dit valt tenslotte onder de vrijheid van expressie. Daarnaast is het onmogelijk om vrijheid op te leggen aan anderen. Als mensen ervoor kiezen om onvrij te zijn, moet dit kunnen, zolang ze ook het recht hebben om eruit te stappen. De overheid heeft dus als taak om individuele vrijheid en autonomie te waarborgen, maar als mensen vrijwillig kiezen om hierin beperkt te worden, moet dat kunnen.

Een belangrijke rol is volgens Van den Berg weggelegd voor intellectuelen en wetenschappers. Zij dienen religie te onderzoeken, bekritiseren in het publieke debat, positief atheïsme te propageren en alternatieven te bieden voor de religieuze moraal. De auteur stelt hiervoor een humanistische ethiek voor, die hij universeel subjectivisme noemt. Deze ethiek is gebaseerd op een gedachte-experiment, die als uitbreiding van John Rawls’ A Theory of Justice (1971) beschouwd kan worden en die door Van den Berg uitgebreider uiteengezet is in zijn boek Filosofie voor een betere wereld (2009). De centrale vraag is: stel dat je niet weet hoe je geboren wordt (bijvoorbeeld als vrouw of homoseksueel) en waar je geboren wordt (Saoedi-Arabië of Nederland), in wat voor soort samenleving zou je terecht willen komen?

Van den Berg concludeert dat mensen zouden kiezen voor een staat waarin ook rekening wordt gehouden met minderheidsgroepen en de mensen die het slechts af zijn, omdat men rationeel niet in een slechte situatie terecht wil komen. Bij het universeel subjectivisme staat het individu centraal: “Het universeel subjectivisme probeert vrijheid van het individu te maximaliseren, niet die van de groep, want het is altijd denkbaar dat sommigen in die groep niet willen wat de groep wil”. Het mooie van universeel subjectivisme is dat het een universele theorie is: in principe zouden alle rationele mensen tot dezelfde conclusie komen. Dit maakt het een sterk wapen tegen moreel relativisme, dat vaak onterecht gebruikt wordt om kritiek op religieuze, door god opgelegde, ethiek te weerleggen.

Het derde hoofdstuk gaat dieper in op de paradox van de vrijheid door de ethiek van de hoofddoek te behandelen. Van den Berg meent dat de hoofddoek een ethische kwestie is “omdat de hoofddoek het zichtbare gedeelte is van het islamitische indoctrinatieproces”. Hij wijst erop dat de hoofddoek in veel gevallen geen volledig vrije keuze is, omdat sociale druk een grote rol speelt. Daar komt bij dat het ook een religieuze plicht is. De hoofddoek is daardoor volgens Van den Berg een symbool geworden van de vraag hoe ver we moeten gaan om individuen tegen indoctrinatie en groepsdruk te beschermen. Hiervoor voert hij onder andere het werk van Ayaan Hirsi Ali en Chahdortt Djavann aan, twee vrouwen die zelf onder islamitische indoctrinatie hebben geleefd. Zij menen beide dat het raar is om met een beroep op vrijheid een symbool van onderdrukking te dragen. Dit is echter een te generaliserend beeld van de hoofddoek in mijn opinie. De hoofddoek zou je kunnen duiden als een symbool van de relatie tussen vrouwen en geïnstitutionaliseerde religie, waar in sommige gevallen onderdrukking een rol speelt. Zoals Van den Berg namelijk zelf ook toegeeft, zijn er in het westen veel moslima’s die bewust kiezen voor het dragen van een hoofddoek. Het gelijkstellen van de hoofddoek aan onderdrukking is dus iets te simplistisch.

De paradox die Van den Berg beschrijft is een lastige. In een liberale samenleving wil je vrijheid van expressie van het individu zo veel mogelijk waarborgen. Daaronder valt ook de kledingkeuze. Hij trekt echter in twijfel in hoeverre de keuze voor het dragen van een hoofddoek vrijheid betreft: “Of er altijd wel sprake is van een reële keuzevrijheid van moslimmeisjes en moslimvrouwen om uit eigen vrije wil een hoofddoek te dragen, daarover bestaat in liberale kring gerede twijfel”. Als dit inderdaad het geval is, is de vrijheid van het individu in het geding. Van den Berg pleit op dit punt voor laïcisme, een sterke vorm van secularisme: op scholen en in openbare ruimtes dienen geen religieuze symbolen, zoals de hoofddoek, aanwezig te zijn, om de neutraliteit van de staat te garanderen en de vrijheid van kinderen te garanderen. Kinderen zijn nog niet in staat om een autonoom oordeel te vellen over het dragen van religieuze symbolen, en een verbod op religieuze symbolen op scholen kan voorkomen dat ze verplicht worden tot het dragen van symbolen, zonder dat het een weloverwogen keuze is.

In het vierde hoofdstuk probeert Van den Berg het succes van religie te verklaren aan de hand van de mementheorie, beschreven door evolutiebioloog Richard Dawkins in The Selfish Gene (1976). Het is een uitbreiding van de evolutietheorie die verder gaan dan genetische evolutie: in de mementheorie staat de reproductie van ideeën (memen) centraal. De auteur merkt zelf al op dat het idee van memen nog niet erg geaccepteerd is in de academische wereld. In mijn optiek zijn hier goede redenen voor. Het concept van memen is een interessante analogie, die kan helpen om het verspreiden van ideeën op basaal niveau te begrijpen. Het heeft echter geen toegevoegde wetenschappelijke waarde. Wetenschapsfilosoof en evolutiebioloog Massimo Pigliucci stelt terecht dat we geen idee hebben van de fysieke eenheid van memen, en dat we niet weten wat een meme succesvol maakt. We kunnen dus wel met terugwerkende kracht stellen dat een meme succesvol is, maar we hebben eigenlijk geen idee hoe dat komt. Op basis van de mementheorie kunnen dus geen falsificeerbare voorspellingen gemaakt worden.

Van den Berg stelt dat de mementheorie een verklarende naturalistische theorie van religie is: “De mementheorie geeft een naturalistische verklaring voor het fenomeen religie en in daardoor een kritiek op de waarheidspretenties van religies”. Het wordt vervolgens niet echt duidelijk waarom religie zo’n succesvol meme is. De auteur vermeldt wel dat religie bepaalde sociaalpsychologische functies vervult, maar vraagt zich vervolgens terecht af waarom die functies met irrationele denkbeelden vervuld zouden moeten worden. Dit is dus geen logische verklaring voor het succes van het religie-meme. Op dit punt moet ik concluderen dat de mementheorie van religie geen toegevoegde waarde heeft, omdat het niet duidelijk maakt waarom religieuze denkbeelden succesvol zijn. Een specifiekere benadering is bijvoorbeeld de biologisch antropologische invalshoek die evolutiebioloog Carel van Schaik en historicus Kai Michel in Het Oerboek van de Mens (2016) gebruiken om de bijbel te analyseren in het licht van de neolithische landbouwrevolutie. In hun boek worden zowel biologische en culturele factoren als cognitieve mechanismen gebruikt om de ontwikkeling van religie te duiden.

In de epiloog beschrijft Van den Berg zijn ervaringen van deelname aan het tv-programma Rot op met je religie! Het doel van de auteur was om het debat aan te gaan over thema’s die gevoelig liggen bij gelovigen en hun ideeën ter discussie te stellen. De conclusie is echter teleurstellend: de gelovige deelnemers waren niet vatbaar voor argumenten. Ze leven in een ander paradigma en rationaliseren hun dogma’s. Dit sluit mooi aan bij het eerdere pleidooi voor een moreel Esperanto: een gemeenschappelijke taal, die gebruikt kan worden om op een neutrale manier met elkaar in discussie te gaan over gevoelige onderwerpen. De ervaringen van Van den Berg laten zien dat dit hard nodig is. Zo wordt zijn betoog voor het verbod op jongensbesnijdenis door een joodse deelnemer beantwoord met de absurde stelling dat besnijdenis “een heel mooi ritueel” is en dat het een manier is om jongetjes welkom te heten op de aarde. De vraag is alleen of het voor religieuze mensen wel mogelijk is om zo’n moreel Esperanto, dat onafhankelijk is van hun religie, te gebruiken. Hoewel deelname aan het programma dus een teleurstelling was met betrekking tot inhoudelijke discussies, eindigt van den Berg toch positief. Ondanks de meningsverschillen en ruzies over verscheidene onderwerpen, is het namelijk wel gelukt om gedurende twee weken op een vreedzame en vriendelijke manier met elkaar samen te leven: “De kloof tussen onze opvattingen werd groter, maar er bleef een hangbrug over de kloof die ons met elkaar verbond”.

De rode draad in het boek is de bescherming van kinderen. Van den Berg pleit hartstochtelijk voor een opvoeding vrij van religie, zodat indoctrinatie zo veel mogelijk voorkomen kan worden. Dit betreft onder andere een verbod op bijzonder onderwijs. Ten grondslag aan zijn argumentatie ligt dat een liberale samenleving moet opkomen voor individuele vrijheid. Dat houdt dus ook in dat kinderen niet de dupe mogen zijn van hun (religieuze) ouders. Het is echter begrijpelijk dat religieuzen niet staan te springen voor de ideeën van de auteur, aangezien ze waarschijnlijk grote gevolgen zouden hebben voor het succes van hun religie. Zoals van den Berg zelf zegt: “Het paradoxale is dat als kinderen in hun jeugd genoeg ruimte wordt gelaten om zich vrij te ontwikkelen […] er maar een heel geringe kans is dat ze zullen kiezen voor een religieuze traditie. […] Religies en tradities moeten met de paplepel ingegoten worden, anders beklijven ze niet.”

Een kritische noot die ik wil plaatsen betreft de toon van het boek. Het is duidelijk dat onderwijs een belangrijke rol speelt bij het afkomen van religie in de visie van Van den Berg. Ik neem aan dat de auteur met zijn boek de lezers, waaronder mogelijk religieuzen, wil onderwijzen over atheïsme en de negatieve effecten van religie in onze samenleving. Bij onderwijs is het echter van belang om rekening te houden met de mogelijke doelgroep. Ooit sprak astrofysicus Neil DeGrasse Tyson tijdens een debat Richard Dawkins aan op het feit dat Dawkins vooral waarheden aan het publiek vertelde, maar niet probeerde te onderwijzen. Dit punt gaat ook op voor Hoe komen we van religie af?. Onderwijzen houdt in dat je zowel kennis verspreidt, als raakvlakken met de beoogde doelgroep probeert te vinden. Die combinatie zorgt ervoor dat de kennis die je wilt overbrengen ook daadwerkelijk impact heeft. Hoewel het boek voornamelijk gericht is op atheïsten met een sterkte opvatting over religie, kan ik me voorstellen dat sommige lezers, zowel religieuzen als atheïsten zonder uitgesproken mening over religie, juist afgestoten worden wanneer Van den Berg religieuzen bestempelt als geesteszieken of religie vergelijkt met kanker. Dat is zonde, want mogelijk zijn er best lezers die in staat zijn om uit hun religieuze paradigma te komen als ze geconfronteerd worden met nieuwe feiten en duidelijke argumenten. Het is uiteraard aan de auteur om de schrijfstijl te kiezen, maar het risico is dat je vooral preekt voor eigen parochie.

Hoe komen we van religie af? is een bevlogen betoog voor liberalisme, humanisme en kritisch denken. Het boek is vlot geschreven en de auteur gebruikt duidelijke metaforen en vergelijkingen om zijn punten toe te lichten. De argumentaties van Van den Berg zijn goed te volgen, en hij besteedt veel aandacht aan de situaties waarin vrijheden botsen, zoals in het geval van indoctrinatie van jonge kinderen. Terecht wordt er gewezen op de tekortkomingen van veel nieuw atheïstische werken en biedt het een aantal goed beredeneerde mogelijkheden om secularisme verder door te voeren. Dit is naar mijn mening het sterkte gedeelte van het boek. Om de vrijheid van het individu te maximaliseren in een liberale samenleving, is het van belang dat de privileges van religie in onze samenleving worden onderkend. Van den Berg zet met dit boek de eerste stap, maar er valt nog een hoop te winnen.

Bron: Liberales.be


De hel, dat zijn wij

Facebook zonder filter: drie maanden als contentmoderator

In Berlijn en Essen werken meer dan duizend mensen als Facebook Content Moderator. Ze filteren de continue stroom van bagger en geweld. Hoe? Dat is strikt geheim. Voor het eerst gunt een voormalige medewerkster ons een blik achter de computerschermen. ‘Het was alsof ik in de spoed van de psychiatrie werkte.’ — Burcu Gültekin Punsmann,

In juli 2017 ging ik in op een allesbehalve aantrekkelijke jobaanbieding in Berlijn. Ik was een nieuwkomer en ik was nieuwsgierig. Er ging een wereld open waarvan ik het bestaan niet kende. Via outsourcing kwam ik terecht bij het Facebook Community Operations-team als moderator, één van de duizenden wereldwijd – in 40 talen werken ze. Berlijn heeft zich ontwikkeld tot een Facebook-filtercentrum, zeker nu de Duitse overheid haar wetgeving heeft verstrengd ter bestrijding van haatberichten.

Na drie maanden nam ik ontslag. Vandaag voel ik de nood om me uit te spreken over die intense professionele en persoonlijke ervaring. Ik zie het als een oefening in zelfreflectie, een kans om bij te leren en een manier om afstand te nemen van de gewelddadige inhoud die dagelijks door mijn vingers ging. Via mijn relaas hoop ik bij te dragen tot meer transparantie en een open debat over het screenen van online content. Het is niet mijn bedoeling om de geheimhouding te verbreken of het beleid van Facebook op de korrel te nemen. Tijdens mijn relatief korte tewerkstelling heb ik gezien dat het beleid voortdurend wordt geëvalueerd. Van waar ik zat, kon ik de factoren die dat beleid beïnvloeden, niet voldoende inschatten.

Ik heb genoten van de training en de onderdompeling. Ik was opgetogen om weer in een internationale context te werken zoals ik gewend was in mijn vorige werk bij humanitaire missies. Hier waren het allemaal migranten, het merendeel heel jong, van uiteenlopende achtergronden. Dat trok me aan. En ook de paradox: achter die hoge muren van geheimhouding zitten terwijl je voor een sociaal-mediaplatform werkt dat mensen verbindt met de wereld. Het is een unieke job.

Zoals de meeste sociale-mediaplatforms drijft Facebook op een users/community-regulatiesysteem: niemand pluist de inhoud uit voor hij geüpload wordt. Gebruikers hebben de mogelijkheid om berichten die zij ongepast vinden, te rapporteren. Het is de job van de contentmoderator om die meldingen – ze worden ‘tickets’ genoemd – te verwerken. Met meer dan twee miljard gebruikers is de hoeveelheid inhoud die gegenereerd wordt op Facebook massief. Wekelijks worden er 6,5 miljoen rapporten aangemaakt. Het stopt nooit.
Mijn rol omschrijven is niet simpel. Was ik een censor die de vrije meningsuiting inperkte? Ik denk van niet. Ik respecteerde de vrijheid om te beledigen en gebruik te maken van de meest verregaande uitdrukkingsvormen. Als Turkse behandelde ik een resem meldingen die de ideologische tegenstellingen in Turkije weerspiegelen, conflicten over het historisch narratief en berichten die religie viseren. De vrijheid om waarden, ideeën en geloof in vraag te stellen en te overstijgen, werkte ook stimulerend, scherpte de creativiteit aan.
Vaker ging het over gedrag dan over taal. Beelden en teksten als uiting van een attitude eerder dan zelfexpressie. Daar kwam veel geweld en wreedheid bij kijken, gaande van haatboodschappen tot sadisme, van pestgedrag tot zelfverwonding. Uitermate gewelddadige inhoud. In mijn vorige job – ontwikkelingssamenwerking en vredesmissies – werd ik geregeld geconfronteerd met fysiek geweld. Toch had ik niet verwacht dat geweld zo dominant was op sociale media.

Een deel van de berichten was regelrecht misdadig. Ben je daar niet op getraind en kom je in aanraking met dat soort uitingen of gedrag, dan kun je maar één ding besluiten: we zijn compleet gek geworden. Ik heb dingen gezien zonder het minste respect voor ook maar één sociale norm, uitgebraakt in een wereld waar elke notie van intimiteit en fatsoen verdwenen is. Hebben sociale media de mens onbewust aangemoedigd om zijn laatste remmingen te laten varen door alle sociale filters en morele barrières op te heffen? Velen op sociale media vertonen gedrag dat zich buiten alle normenkaders bevindt, en toch kan het niet als antisociaal bestempeld worden want het individu erachter streeft naar volgers, likes en sociale interactie. Het ultieme doel: aandacht trekken. Wat zou er gebeuren als mensen zich op een gelijkaardige manier gedroegen in de publieke ruimte, op het openbaar vervoer, in cafés of in het park? Ik heb het me meermaals afgevraagd.
Gaandeweg betrapte ik mezelf op sporen van beroepsmisvorming en dat verontruste me zeer: een verhevigde waakzaamheid (in het bijzonder over de risico’s voor mijn familie). Ik begon te dromen over mijn job. Mijn eigen perceptie van de werkelijkheid was aan het afglijden. De vreselijke schietpartij in Las Vegas leek me plots volledig normaal. De aard van de job en de late shifts waren nauwelijks te combineren met een dochter van zeven. Ik moest dringend stoppen.

Eindeloze herhaling

In hoeverre kon ik me aanpassen aan zo’n rigide, beklemmende werkomgeving? In eerste instantie zag ik het als een persoonlijke uitdaging, een test van mijn uithoudingsvermogen. Ik bevond me in een fabriekswereld, deel van het globale digitale proletariaat. Een garnizoen van 700 mensen in een gesloten omgeving zonder contact met de buitenwereld. Werkuren en rustpauzes werden tot op de seconde berekend, ik zat gekluisterd aan mijn computer, kon de productielijn slechts enkele minuten verlaten. Ik weet zelfs niet of we iets produceerden, al had ik wel het gevoel dat we een miljardenindustrie bedienden.

De contentmoderator, of agent, voert een ernstige analyse uit. De taak is moeilijk en contextgevoelig. Hij heeft niet alleen te beslissen of gesignaleerde berichten verwijderd moeten worden, hij moet ook navigeren door een uiterst complexe hiërarchie van handelingen. De mentale operaties worden als te complex gezien voor algoritmes. Desondanks worden moderators verwacht te handelen als een computer. De hang naar uniformiteit en standaardisering laat geen ruimte voor menselijke beoordeling en intuïtie.

Nadat hij ingewerkt is, moet een moderator ongeveer 1.300 rapporten per dag afhandelen, wat hem telkens luttele seconden geeft om tot een besluit te komen. De intellectueel uitdagende opdracht verwordt dan tot een geautomatiseerde handeling, bijna een reactie. Het repetitieve versterkt de frustratie en de vervreemding. Nadenken wordt niet aangemoedigd, de werknemer kan nauwelijks initiatief nemen, zij/hij kan alleen voorbeelden verzamelen om achterpoortjes in het beleid te signaleren. De standaardisering is bedoeld om bij te dragen tot de objectiviteit. De moderator mag niets veronderstellen, mag de intenties van de persoon achter het bericht niet in vraag stellen. Het misbruik moet duidelijk zijn en eenduidig.
Het strakke werkschema beperkt de sociale interactie tussen het personeel tot een minimum. Nochtans maakt de moderator deel uit van een team en zit hij in een open kantoor. De virtuele ruimte kapselt hem in, versterkt het gevoel van isolement. Daardoor wordt de impact van de inhoud die hij ziet voorbijkomen, nog vergroot. De agent in de rij (productielijn) ontvangt de tickets (rapporten) in willekeurige volgorde. Een constante stroom van teksten, foto’s, video’s. Met geen mogelijkheid valt te voorspellen wat er op je scherm zal verschijnen. Er is geen tijd voor een mentale aanpassing, het is onmogelijk om jezelf voor te bereiden. Soms duurt het enkele seconden om te begrijpen waar een bericht over gaat. De snelheid reduceert het complexe analytische proces tot een opeenvolging van automatismen. De moderator reageert. Een eindeloze herhaling. Uitloggen wordt moeilijk aan het eind van een achturenshift. De taak creëert een zekere afhankelijkheid, een verslaving. Zelfs in mijn dromen deed ik alles nog ’s over.
Tijdens de lange uren achter mijn computer dacht ik vaak: was ik maar een sociaal werker of een psycholoog. Het was alsof ik in de spoedafdeling van de psychiatrie werkte, of bij de politie. Alleen was ik machteloos, ik kon niet ingrijpen. Was dit een digitale reflectie van de samenleving? Ik probeerde er mezelf van te overtuigen dat ik enkel te maken kreeg met de marginaalste, radicaalste segmenten ervan. Het geweld was alomtegenwoordig.

Expert in laster

Dit is geen job voor iedereen. In het sollicitatie-interview (het duurde amper 15 minuten) vroegen ze me of ik de content wel aankon. Niet makkelijk om dat op voorhand te weten. Voordien had ik al in zenuwslopende omgevingen gewerkt. Ik was meer ervaren en ouder dan de meeste van mijn collega’s. Het systeem voedt zich met jonge migranten. 28 jaar is de gemiddelde leeftijd.
Als nieuwe rekruut nam ik deel aan een workshop georganiseerd door de interne psychologische consulent. De workshop duurde nauwelijks een halve dag en ging nergens over. Een persoonlijke consultatie heb ik nooit aangevraagd. Maar het was goed om te weten dat de mogelijkheid bestond. Veel collega’s waren bang van de langetermijneffecten van de job. Het is belangrijk om te praten en te delen, elkaar te ‘debriefen’. Maar daar was geen ruimte voor. Soms discussieerden we op de metro of de bus – in het Engels. Zelfs dan voelde ik me ongemakkelijk, beducht voor het effect op de andere passagiers.

Al snel word je als moderator een expert in laster en beledigingen. Het vocabularium is ook vrij beperkt. Soms fascineerde het me, zo’n lange tirade tegen iemand. Beledigingen onderscheiden van seksueel misbruik, dat was een van onze grootste kopzorgen. Het was me nooit opgevallen dat verwensingen zo seksueel geladen en gender-gekleurd zijn. Pesterijen zijn schering en inslag. En ze blijven niet beperkt tot tieners. Als je ziet hoe wreed en meedogenloos mensen kunnen zijn, daar word je koud van. Veel berichten hebben maar één bedoeling: iemand zo hard mogelijk raken. Een groot deel ervan waren uitdrukkingen van puur sadisme.
Het extreme grafische geweld weegt ook op je zenuwen. In situaties van aanhoudende stress probeert je intellect de controle te heroveren op die gevoelens van woede en walging. Die inspanning is op zich al uitputtend. Intuïtief begon ik een medische benadering aan te nemen tegenover het menselijk lichaam, het als een set van organen en weefsels te bekijken. Geconfronteerd met gruwelijke taferelen van moord en dood, beeldde ik me in dat ik voor de forensische dienst werkte. Soms moest ik een video meermaals afspelen of focussen op een detail in een foto, want het filterbeleid kan heel precies zijn waardoor je sterk moet inzoomen op een misdaadscène of de plaats van een ongeval.
Bloed, verminkte en verkoolde lichamen, vaak is het horror in de ergste graad. Ik leerde mijn afkeer weg te slikken. Pas wanneer ik op iets botste dat me verbond met de wereld van de levenden, kreeg ik het lastig, kleine details waar ik probeerde overheen te kijken, waardoor een lijk weer menselijk werd. Getuige zijn van de pijn van overlevenden. Het ergste waren video’s van foltering, zeker als het om de mishandeling van kinderen en dieren ging.

Geen geheimdoenerij

Omdat ik de Turkse markt screende, kreeg ik een uitzonderlijke kijk op het Midden-Oosten. Conflicten die een samenleving polariseren vermenigvuldigen zich op sociale media. De Turkse platformen werden bestookt met Irak en Syrië. Het was alsof ik tussen de partijen in stond. Strijders gebruiken online technologie om hun oorlog te documenteren, om hun kameraadschap te tonen, zichzelf op de borst te kloppen en de vijand te onteren. Ik vond troost in het feit dat alle partijen even actief waren op sociale media en dat ze dezelfde culturele referenties deelden.
Een paar weken werden we overspoeld door beelden van de vervolging van de Rohingya in Myanmar. Het waren in hoofdzaak berichten om de publieke opinie te sensibiliseren, de misdaden te veroordelen, op te roepen tot actie. Nieuwswaardige content dus. En dan zagen we foto’s viraal gaan voor hun bloederige content en de sensatie errond, terwijl de boodschap verloren ging. Horror draagt niet altijd bij tot morele bewustwording.

Video’s van onthoofdingen worden het meest gevreesd door contentmoderators. Ik heb er veel gezien. Ze laten weinig aan de verbeelding over. Maar mij raakten ze minder omdat er zoveel bloed mee gepaard gaat – en het is een snelle dood. Ik moest wel vechten tegen misselijkheid. Tijdens het Offerfeest passeerden er veel filmpjes van moslims die dieren slachten. Ik zag weinig verschil met onthoofdingen. Soms vond ik ze erger, omdat de doodsstrijd van de dieren langer duurde.

IS was trouwens niet de enige bron van onthoofdingsvideo’s. Er kwamen er ook veel uit de oorlog tegen drugskartels in Latijns-Amerika. Maar die van IS waren gesofisticeerder: de mise-en-scène en soundtrack maakten ze onwezenlijk. Wat is de motivatie achter het posten van onthoofdingsvideo’s? Slechts enkele werden daadwerkelijk verspreid door bronnen gelinkt aan IS. Worden ze dan gedeeld uit sadistische overwegingen, simpelweg het tonen van extreem geweld? Of om aandacht te trekken met shockerende content?

De enige macht die je als moderator hebt, is om een bericht te deleten. In zeldzame gevallen kon ik er iemand op wijzen dat zijn post wreed was. Die functie had ik veel vaker willen kunnen gebruiken. Ik verlangde ernaar om te communiceren met de mens achter het bericht, maar daar was geen tijd voor. Er is nochtans hoge nood aan heropvoeding. Dat vereist een collectieve inspanning. Contentmoderators spelen een beschermende rol, maar vandaag mogen ze pas in actie treden als een gebruiker iets opmerkt en meldt. De geheimdoenerij rond hun werkmethodes helpt evenmin. Het is een verantwoordelijkheid die niet enkel in de handen kan en mag blijven van technologiebedrijven.

Bron: De Standaard —© Süddeutsche Zeitung


De cirkel groter maken

Interview met Etienne Vermeersch over ethiek en zorg

De manier waarop we over grote ethische vragen spreken en denken is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Een van de wegbereiders van die veranderingen is zonder meer ethicus Etienne Vermeersch. Hoe kijkt hij naar de ontwikkelingen in de zorg?

Jarenlang woedde er, ook in ons land, een intens debat over ethische hete hangijzers, zoals abortus en euthanasie. De debatten hadden een grote maatschappelijke en juridische dimensie, maar groeiden ook uit tot emotioneel geladen symbooldossiers. Zeker bij de aanvaarding van euthanasie speelde Etienne Vermeersch (1934), emeritus-hoogleraar en ere-vicerector aan de Universiteit Gent, een belangrijke rol, als professioneel ethicus en als publiek intellectueel.
Uiteindelijk stemden onze volksvertegenwoordigers een euthanasiewetgeving die een bredere invulling geeft aan de persoonlijke zelfbeschikking dan in tal van andere Europese lidstaten het geval is. Die maatschappelijke verschuiving is nauw verbonden geweest met de secularisering en de niet-aflatende ontwikkeling van de wetenschap, twee fenomenen die het denken en de loopbaan van Etienne Vermeersch fundamenteel hebben beïnvloed. Na het stopzetten van zijn jezuïetenopleiding werd hij militant atheïst. Vermeersch is een materialist die actief ingaat tegen allerlei vormen van bijgeloof en obscurantisme. Hij specialiseerde zich in wetenschapsfilosofie en de filosofische gevolgen van technologische ontwikkelingen, zoals cybernetica. In de loop der jaren groeide hij ook uit tot een veelgevraagd debater, een hoedanigheid die de boeken die hij heeft geschreven onterecht wat overschaduwt.
In De ogen van Panda. Een milieufilosofisch essay probeerde hij bijvoorbeeld eind jaren tachtig de essentie van de ecologische uitdagingen te vatten. De milieu-ethiek die hij in het boek heeft ontwikkeld, blijft tot vandaag overeind. Vermeersch ziet de oplossing vooral in een drastische beperking van het geboorteoverschot. Even belangrijk is de ecologische basishouding die Vermeersch ontwikkelt. In zijn visie heeft de mens in de loop der eeuwen de morele cirkel steeds vergroot. We vinden het belangrijk om zoveel mogelijk gelijke rechten te laten gelden, ook wat zorg betreft. Vermeersch pleit ervoor om die aandacht uit te breiden naar dieren en toekomende generaties, vooraleer de aarde onleefbaar wordt. Met dezelfde nuchterheid kijkt hij naar de manier waarop we vandaag welzijn en zorg organiseren.

De zorgvraag blijft toenemen. Professionele zorgwerkers staan onder druk. Zijn we het slachtoffer van ons succes?

Etienne Vermeersch: “Zeker in ziekenhuizen is die druk enorm voor verplegenden. Ze kunnen niet meer los en vrij de tijd nemen met een patiënt die het moeilijk heeft. Ze staan werkelijk onder druk. Het moet allemaal snel gaan. Het heeft uiteraard een financiële kant. Als je met directeurs erover praat, zullen die je zeggen dat het water hen aan de lippen staat. De feitelijke mogelijkheden van verzorgenden zijn inderdaad beperkt geworden. Ik heb minder ervaring met die kwestie in andere sectoren van de zorg.”

Misschien is het ook zo dat men in de zorg de indruk heeft dat men de greep op het geheel verliest, omdat zorg bijvoorbeeld ook een heel technische aangelegenheid is geworden?

“Dat heeft wellicht ook iets te maken met het onderwijs. Mijn schoonmoeder was verpleegster en een aantal andere vrouwelijke familieleden ook. Als ik aan haar terugdenk, weet ik dat er een mentaliteitsverschil was. Of zij nu een uur langer bezig was met een patiënt, als dat nodig bleek, dan was dat voor haar geen probleem. Terwijl verpleegsters vandaag wellicht meer op een correcte navolging van hun uurrooster staan. Ze hebben dan niet de indruk dat ze een bijkomende inspanning moeten leveren in bepaalde zorgsituaties. Voor de introductie van antibiotica waren verpleegsters enorm getraind om volledig steriel te werken. Dat was meer dan een dogma, het was een levenshouding. Omdat we antibiotica hebben, is die mentaliteit verzwakt, wat natuurlijk niet goed is omdat antibiotica in toenemende mate resistent worden. Die ijzeren discipline van vroeger – die niet ideaal was, maar voordelen bood – is verminderd. Het feit dat verplegen vandaag een ‘normale’ job is, doet iets af van de mogelijkheid om zich totaal te engageren. Zoals je naar kantoor gaat, ga je naar het ziekenhuis, om een job uit te oefenen. Ik denk dat we aan die mentaliteit zouden kunnen werken. En dat we verplegen toch meer zouden kunnen beschouwen als een roeping, een opgave die meer voldoening biedt als je beseft dat je werkelijk iets betekent voor de patiënt. Het is niet louter de afhandeling van een routine.”

“Ik heb er persoonlijke ervaringen mee. Ik had ooit prostaatproblemen en onderging een pijnlijke behandeling. Ik zei aan de vrouwelijke arts dat de behandeling pijn deed, een lichte verdoving had geholpen. Haar antwoord was tekenend: ‘We doen dat zo bij jongetjes ook’. (lacht) Het is een mentaliteit. De technische kant van de behandeling wordt zodanig technisch, dat het menselijke aanvoelen vermindert. We hebben uiteraard een grotere gevoeligheid voor pijn. Persoonlijk vind ik dat men daar rekening mee moet houden.”
“Dat geldt ook wat onze gevoeligheid voor ongemak en onbehagen betreft. Men legt aan de mensen onvoldoende uit wat er tijdens een behandeling of operatie gebeurt. Na mijn hartoperatie was ik geïntubeerd, wat braakneigingen opwekt. Dat wou ik duidelijk maken, maar ik kon spreken noch schrijven op dat moment. Had men me gezegd dat ik me geen zorgen hoefde te maken, omdat de braakneigingen normaal waren en de buisjes toch alles opzuigen, dan was het probleem opgelost. Het is heel eenvoudig om dat uit te leggen. Dat niet doen is heel erg. Soms weten artsen het zelf niet, omdat ze die bepaalde ervaring niet hebben meegemaakt. Het merkwaardige is dat ik die ervaringen heb gehad, ondanks het feit dat men een beetje schrik heeft van mij. (glimlacht) Ik ben immers lid van de raad van bestuur van UZ Gent geweest. Ik mag uiteraard niet veralgemenen. Er zijn artsen die zeer goed informeren, maar een aantal heeft dat nog niet in de vingers.”

Heeft het ook te maken met het feit dat we er in de zorg van uitgaan dat we alles kunnen oplossen? Dat ‘alles’ is wel heel veel om te beheren, laat staan om uit te leggen.

“Het heeft te maken met de aard van de specialisatie. Toen ik aan de universiteit begon, kende ik een professor-chirurg die alles deed. Hij heeft nog de arm van mijn schoonmoeder geopereerd na een ongeval. Maar hij deed ook maag-, en hartoperaties. Hij had als arts een zeer breed overzicht van alle medische mogelijkheden. Vandaag is de specialisatie enorm en wordt er door gespecialiseerde artsen zeer veel kennis opgebouwd. Terwijl vroeger de algemene medische kennis groter was. Ik herinner me een arts die heel wat ervaring in Congo had opgedaan, waar hij in zeer bescheiden omstandigheden moest werken. Wel, die man had een techniek ontwikkeld om zonder bloedverlies te opereren – omdat hij in Congo niet anders kon. Zulke mensen verdwijnen uiteraard door de specialisatiedruk. Die toegenomen specialisatie is niet ideologisch geïnspireerd door een maakbaarheidsideaal. Ze is ontstaan uit de feiten, doordat de medische ontwikkeling nu eenmaal steeds verdergaat. De tweede stent die ik heb gekregen is geplaatst door dokters die niets anders deden dan stents plaatsen. Het is dan ook zeer goed gedaan. (glimlacht)”

“Ook op dit punt vind ik het essentieel dat patiënten op een humane manier informatie krijgen. Je gelooft het niet, maar je hebt mensen die dat echt slecht en brutaal aanpakken. Toen ik lezingen over euthanasie gaf voor artsen stond er op een mooie avond een chirurg recht die plompverloren zei: ‘Wat is dat nu voor een onzin, die euthanasie. Iedereen kan toch gewoon een revolver kopen als hij er een eind aan wil maken?’ Zo’n onzin heb ik dus echt gehoord. Je mag niet veralgemenen, want er zijn artsen die hun informerende taak zeer humaan opvatten. Maar informatie is dus niet brutaliteit. Je moet altijd denken: hoe zal de patiënt het verstaan? Je kan dingen zeggen die volstrekt waar zijn, maar die bij de patiënt verkeerd overkomen. Ik herinner me het geval van een arts, twintig jaar geleden, die tegen een patiënt zei: ‘Ik kan het nu wel zeggen, je hebt een kanker gehad en we hebben die genezen.’ Die patiënt reed naar huis en pleegde zelfmoord, omdat het woord kanker zo angstwekkend was.”

De medische wetenschap is zeer ver gevorderd, en levert vaak ingewikkelde informatie op en moeilijke keuzes. Vergroot dat niet de moeilijkheid om correct te informeren?

“Op dat vlak is er gelukkig een positieve evolutie. Weet je, in jaren zestig, zeventig werd artsen aangeraden om patiënten zoveel mogelijk af te schermen van gevoelige informatie. Door de aanvaarding van euthanasie is het bespreken van de dood veel opener geworden. Je kan meer zeggen aan de mensen dan vroeger. Neem nu de diagnose van een Downsyndroom. De hypothese van een abortus was vroeger gewoon onwettig. Vandaag gebeurt het in het merendeel van de gevallen en zijn het net de mensen die niet voor abortus kiezen die raar worden bekeken. Wat ook weer overdreven is, want mensen moeten hun eigen inzichten volgen. Maar de mentaliteit van patiënten is werkelijk diepgaand veranderd.”

“Zelf praat ik graag over de dood, om de eenvoudige reden dat ik er binnen een jaar of vijf bij ben. (glimlacht) Het doet me niets. Ik ben er niet bang van. Ik wil het wel zolang mogelijk uitstellen, dat is de pointe. Maar in het algemeen is de openheid groter. Artsen zullen er vandaag ook voor kiezen om de waarheid te zeggen, maar liefst op een oordeelkundige manier. Sommige mensen hebben er immers meer last mee dan anderen. Vroeger hadden artsen nood aan een deontologische code, waar ik tegen ben. Je moet weten wat helemaal niet kan en wat zeker moet. En daartussen ligt er een waaier van mogelijkheden, die je aftoetst en hanteert, afhankelijk van geval tot geval. Elk individu reageert anders. Ik heb verschillende mensen gekend die jaren hebben gestreden tegen kanker en die, toen het bericht kwam dat strijden zinloos was geworden, eerder gelijkmoedig voor euthanasie kozen. Zij waren voorbereid. Het verloopt veel meer ontspannen dan vroeger. Een goeie vriendin van me had haar euthanasie vastgelegd en op de geplande avond zag ze dat ik op tv kwam. Ze vroeg aan haar arts om even te wachten tot ze het programma had gezien. (glimlacht) Die soepelheid komt door de feiten. Het is zoals met de introductie van de pil. Die heeft ook een verreikende invloed gehad, op van alles. Zo is het met abortus en euthanasie ook gegaan. Ik heb die mentaliteitsverandering zelf zien gebeuren. Ik gaf elk jaar een college over ethische problemen, in de vorm van een discussie met een katholieke professor of met de aalmoezenier van een ziekenhuis. Vroeger waren de vragen van de studenten vrij conservatief. Ik heb hen in de loop der jaren progressiever zien worden, door de feiten zelf.”

“Dezelfde evolutie heb ik gezien bij de aanvaarding van crematie. Die aanvaarding is veel sneller gegaan dan ik had gedacht. Toen ik jong was, was crematie voor erge goddelozen. Ik heb moeten meemaken dat conservatief-katholieke familieleden van me kozen voor crematie. De feiten zelf doen de geesten rijpen. We moeten er alleen op bedacht zijn dat die feiten ons niet in een verkeerde richting laten gaan. Voor ontsporingen moeten we ons hoeden, zoals de al te technische benadering die de menselijkheid naar de achtergrond duwt.”

Levensbeschouwing speelt geen rol meer?

“Voor de meeste problemen maakt het niet uit of je in een katholiek of niet-katholiek ziekenhuis ligt. Je hebt van allebei goeie en slechte. Nog steeds echter heb ik in sommige katholieke ziekenhuizen een probleem met het levenseinde en het aanvaarden van euthanasie. Het afremmen of niet aanvaarden van euthanasie vind ik een gebrek aan respect voor de medemens. De levensbeschouwelijke strekking van het hospitaal wordt dan als reden ingeroepen, maar een hospitaal is een organisatie en heeft geen ideologie. Een individuele arts kan wel gewetensvragen hebben. Als die arts vindt dat hij euthanasie niet kan doen, moet hij er iemand bij roepen die het wel kan. Maar als hij het wel kan doen, dan heeft de directie daar niets mee te maken. Dat is nog een van de weinige weeffouten.”

De levensbeschouwing in de zorg verdwijnt, of het nu om katholieke of vrijzinnige instellingen betreft. Voor u levert dat geen problemen op?

“Wel, het probleem zou ik eerder in het onderwijs situeren. Er is een tekort aan behoorlijke levensbeschouwelijke opvoeding. Ik vind dat je in onze cultuur een schilderij met een godsdienstige achtergrond moet kunnen duiden. Hoe kan je anders die hele cultuur verstaan? Hetzelfde met literatuur. Men schijnt niet te beseffen hoe rijk die is. (begint spontaan een vers uit het theaterstuk The Merchant of Venice van William Shakespeare te citeren) ‘The quality of mercy is not strain’d.// It droppeth as the gentle rain from heaven// upon the place beneath. It is twice blest.// It blesseth him that gives and him that takes.’ Wat een fantastische tekst. Ik vind dat je niet alleen de Bijbel moet kennen, maar ook dit soort teksten. (glimlacht)”
“Levensbeschouwingen hebben positieve en negatieve kanten gehad. Dat moeten we doorgeven. Het is belangrijk dat men die traditie kent, zoals in het citaat van Shakespeare. Ik moet altijd het verschil tussen katholieken en protestanten uitleggen, alsof ik in Indië zou lesgeven. Men weet werkelijk van toeten noch blazen. Nu kan je zorg uiteraard uitbouwen in een bepaalde sfeer, katholiek, vrijzinnig of islamitisch. Maar de laatste eeuwen is er in het spoor van de Verlichting ook heel wat veranderd in ons denken over mensenrechten en zingeving. Die gemeenschappelijke kennis zou men toch zoveel mogelijk moeten bijbrengen aan aspirant-zorgverleners, in alle zorgopleidingen. Het is ondenkbaar dat men geen les zou geven over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de toepassing daarvan in de zorg. Of neem het beroepsgeheim: dat gaat al mee van in de tijd van Hippocrates. Zij het dat men toen vooral de privacy van de mensen thuis wilde beschermen. Deontologie moet je kaderen in een algemene visie op het respect voor elk individu.”

Dat respect komt dus niet uit de lucht vallen. Je moet het leren.

“Absoluut. Je moet ook ingaan tegen iets dat traditioneel in het beroep van arts zat: paternalisme. Dat was niet zolang geleden de norm in dat beroep. ‘Wij weten het beter.’ Je moet erop wijzen dat dit niet mag. Hetzelfde met de mentaliteit van verplegenden om oudere mensen te behandelen als kinderen. Het gebeurt misschien met de beste bedoelingen, maar het getuigt ook van een onvoorstelbaar paternalisme. Behandel mensen met respect, ook als ze dement worden.”

U hebt een groot deel van uw leven doorgebracht met het debatteren over wetenschappelijke vooruitgang in de gezondheidszorg. Maakt de medicalisering ons naïef, omdat we misschien denken dat we aan alles wel een mouw kunnen passen? Of leven we, binnen de beperking van ons bestaan, in een comfort dat in de geschiedenis nooit zo groot is geweest?

“Dat laatste is in West-Europa zeker waar. Laat ik mezelf als voorbeeld nemen. Ik slik al ruim dertig jaar medicatie. Had ik dat niet gedaan, dan was de kans heel groot geweest dat ik allang dood was. De familie van mijn vader heeft neiging tot hoge bloeddruk. De oudsten stierven rond de vijftig. De jongsten van de familie, zoals mijn vader, kregen de eerste bloeddrukverlagende middelen. Die mensen hebben twintig jaar langer geleefd dan hun oudere broers en zussen. Het is natuurlijk naïef om te denken dat zo’n medische vooruitgang eeuwig doorgaat. Vroeg of laat verouderen je lichaamscellen toch. Zelfs als het lichaam vijfhonderd jaren oud zou worden, dan zit je nog met je brein en dat is eindig. Je zou niet meer weten wie je vijfhonderd jaar geleden was. (glimlacht) Je kan niet onsterfelijk zijn. Het is echter niet alleen de medische wereld die je gezondheid bepaalt. Gebruik vooral ook je gezond verstand. Een leek, en dan vooral mensen die niet wetenschappelijk geschoold zijn, is bijvoorbeeld niet in staat om aan zelfmedicatie te doen. We beschikken over enorme mogelijkheden, maar het gevaar op misbruik is reëel. Het evenwicht bewaren is een onnoemelijke opgave. Ik ben dus in algemene zin positief, op voorwaarde dat men niet al te optimistisch is en dat men, aan de andere kant, nagaat wat de risico’s zijn.”

En op voorwaarde dat men een dagelijkse dosis Shakespeare krijgt.

“(lacht en begint weer spontaan Shakespeare te citeren, uit het theaterstuk Macbeth dit keer) ‘To-morrow, and to-morrow, and to-morrow,// Creeps in this petty pace from day to day,// To the last syllable of recorded time.’ Prachtig toch En zo gaat dat maar verder. ‘Life’s but a walking shadow, a poor player,// That struts and frets his hour upon the stage,// And then is heard no more. It is a tale// Told by an idiot, full of sound and fury,// Signifying nothing.’”

Dirk Verhofstadt, In gesprek met Etienne Vermeersch. Een zoektocht naar waarheid, Houtekiet, 2011. ISBN 9789089241450
Etienne Vermeersch, De ogen van de Panda. Een kwarteeuw later, Houtekiet, 2013. ISBN 9789089241122

Bron: Weliswaar


Waardigheid boven alles

De ethische fundamenten van de zorg. Interview met Chris Gastmans, professor medische ethiek KULeuven

In een wereld vol keuzemogelijkheden lijkt zorg een individuele formule met opties die je kunt aanvinken. Die eenzijdige aanpak leidt volgens ethicus Chris Gastmans tot lastige situaties waar de menselijkheid in het gedrang komt. Daarom onderstreept hij de sociale dimensie van een zorgsituatie: niemand is een eiland.

Medewerkers in de zorg- en gezondheidssector worden geconfronteerd met moeilijke afwegingen en vragen. Naarmate de wetenschappelijke vooruitgang de medische kennis de hoogte instuwt, neemt ook de druk op medische ethiek toe. Als het op het verzorgen van kwetsbare mensen en het behandelen van medische problemen aankomt, zijn we in staat tot prestaties die onze voorouders zouden verbluffen. Er ontstaan echter ook nieuwe dilemma’s. Je kunt niet alles voorzien met een wilsverklaring. Hoe beslis je dan? En hoe moet je goede zorg omschrijven als de patiënt in kwestie amper nog bij bewustzijn is? Zulke vragen worden uitgebreid onderzocht in het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht (KU Leuven), onder leiding van professor medische ethiek Chris Gastmans.

Chris Gastmans: “Het centrum is opgericht in 1986. We vieren dat jubileum in september van dit jaar met een internationaal congres (www.eacme2016.org , n.v.d.r.). Het centrum is van oudsher een onderwijs- en onderzoekscentrum rond biomedische ethiek, maar ook rond medische recht. We maken deel uit van de faculteit geneeskunde, hoewel veel medewerkers van de faculteit theologie of filosofie komen. We staan dicht bij de klinische realiteit. En we geven onderwijs aan quasi alle opleidingen van de biomedische wetenschappen, van de artsen en de tandartsen tot de logopedisten. We hebben bovendien een internationale masteropleiding, Master of Bioethics (www.masterbioethics.org , n.v.d.r.). De laatste tien jaar is dat een Erasmus Mundus-opleiding geweest, waarbij we ook studenten van buiten Europa aantrokken om kennis te maken met het Europese gedachtengoed. Er zaten veel afgestudeerde artsen en juristen bij. Maar we geven ook korte, intensieve cursussen, bijvoorbeeld over ethische problemen in de zorg voor personen met dementie.”

Hebben die studenten van buiten Europa dan geen eigen ethische traditie?

“Heel wat Afrikaanse landen en Aziatische landen kennen wel de Amerikaanse manier van ethisch denken, maar niet de Europese. De Amerikaanse school is gevormd door het principe-denken, een oplossingsgerichte vorm van micro-ethiek, die de focus legt op de individuele relatie tussen arts en patiënt. Het principe-denken leunt op vier morele pijlers: individuele autonomie, benificence (het goede doen), nonmaleficence (geen schade berokkenen) en rechtvaardigheid (een rechtvaardige en solidaire verdeling van voor- en nadelen). Als er twee of meer principes botsen, dan heb je een ethisch probleem. Dat principe-denken is gemunt door de Amerikaanse filosofen Tom Beauchamp en James Childress in het invloedrijke boek Principles of Biomedical Ethics. Wij hanteren de zorgethische en personalistische benadering, die een ander mensbeeld inhoudt.”

Er bestaan toch nog andere stromingen bij Amerikaanse universiteiten?

“Je hebt er uiteraard verschillende sterke filosofische scholen. In de toegepaste ethiek en biomedische ethiek heb je echter een wereldwijde dominantie van het principe-denken. Principles of Biomedical Ethics bevat een zeer degelijke theorie die regelmatig wordt verfijnd. Het is een typisch boek uit de beginperiode van de medische ethiek, de jaren zeventig, omdat het een theorie bevat die op de eerste plaats gericht is op de zorgpraktijk van artsen. Medische ethiek is ontstaan op een moment dat artsen, door de vooruitgang van de medische wetenschap, steeds vaker in moeilijke situaties terechtkwamen en correcte beslissingen moesten nemen. Intussen zijn we geëvolueerd en kunnen we de complexe ethische problemen van vandaag niet meer vatten door ons te beperken tot medisch handelen. Het zijn niet alleen artsen die een ethische verantwoordelijkheid dragen, maar ook de patiënten zelf, de verpleegkundigen en de familieleden, die vandaag meer inspraak hebben in het medisch besluitvormingsproces. Het ontstaan van nursing ethics is een belangrijke verruiming geweest van het ethische blikveld in de gezondheidszorg. Maar ook de beleidsmakers en managers hebben een verantwoordelijkheid. Hun beleidsbeslissingen bepalen mee de omstandigheden waarin artsen en zorgwerkers hun werk verrichten. We hebben vandaag meer dan ooit een discussie over keuzes in de zorg, wat bij uitstek een beleidsaangelegenheid is. De micro-ethiek van het principe-denken, met de nadruk op de arts-patiëntrelatie, volstaat niet meer om de complexe zorgomgeving van vandaag op een integrale manier te benaderen. De arts werkt vandaag altijd in teamverband. En al die collega’s en medewerkers hebben een gigantische invloed op de ethische kwaliteit van het zorgproces. Iedereen – arts, verpleegkundige, patiënt of manager – moet op zijn of haar ethische verantwoordelijkheid kunnen worden aangesproken.”

Heb je dan geen procedures nodig in de zorg?

“Wat de ethische verantwoordelijkheid van artsen betreft, zal de principe-ethiek eerder de nadruk leggen op spectaculaire beslissingen die genomen moeten worden op cruciale momenten van een behandeling. In die context is de medische ethiek ontstaan veertig jaar geleden: beslissingen over de zorg aan het begin en aan het eind van het leven, met als typevoorbeelden abortus en euthanasie. In de principe-ethiek wordt het zo voorgesteld alsof de arts en de patiënt daarover beslissen. De ethische vraag die de arts zich stelt, luidt dan: wat is de goede beslissing? De nadruk ligt op dat ene moment van handelen. Het is echter een vorm van reductionistisch denken: de complexe beslissing wordt teruggevoerd tot één vraag. Als je kijkt naar de ethische kwaliteit, dan kan je niet alleen oog hebben voor die spectaculaire beslissingen, die uiteraard belangrijk zijn. Je moet kijken naar de ethische kwaliteit van het hele zorgproces.

De zorg voor een patiënt die euthanasie vraagt, kan je niet reduceren tot de vraag of het gerechtvaardigd is om de euthanasie toe te staan. De arts en de verpleegkundigen zijn lange tijd op weg samen met de patiënt, nog voor hij de eerste keer die euthanasievraag stelt. En als die vraag dan wordt gesteld, moeten er gesprekken worden gevoerd en moet de vraag worden geïnterpreteerd, zodat men een beslissing kan nemen, in samenspraak met de familie. Het stopt ook niet bij het uitvoeren van de beslissing, want er is nog een nazorg. We hebben ooit een kwalitatief onderzoek gedaan met verpleegkundigen die betrokken waren bij euthanasie-zorgprocessen. In dat zorgproces hebben we toen niet minder dan acht fasen onderscheiden, vanaf het moment dat de euthanasievraag wordt gesteld, tot de nazorg. De eigenlijke beslissing is maar één van die acht scharniermomenten. De zorgethiek die wij volgen, benadrukt veel meer dat globale proces en richt zich niet alleen op de arts, maar op alle betrokkenen.”

Misschien kunnen wij ons die zorgvuldigheid meer permitteren dan landen waar de welvaartsstaat veel minder sterk is uitgebouwd?

“De accentverschillen die ik aanbreng als zorgethicus zijn inderdaad sterk beïnvloedt door de ontwikkeling van onze gezondheidszorg. Wij kunnen bogen op professionalisering van de zorg, teamgeneeskunde en op een grotere impact van de familie. Het grote voordeel van de principe-ethiek is dat ze zeer hanteerbaar is voor artsen en andere hulpverleners. Een reëel complex probleem wordt vertaald in een theoretisch conflict van principes. Daardoor wordt ethiek een abstracte denkoefening en kan je vrij makkelijk tot een besluit komen. Op die manier lijkt het alsof je een neutrale, rationele manier van ethisch denken hanteert, niet al te levensbeschouwelijk gekleurd. Het principe-denken wekt de indruk dat het een algemeen verstaanbare voertaal kan zijn, in gelijk welke cultuur, land of tijd. Ik leg andere accenten. Voor mij is ethiek niet zozeer een rationele aangelegenheid, het is vooral een zaak van concrete mensen. Wat er met mensen gebeurt, moet je niet meteen theoretiseren. Als mensen in een complexe en ethisch gevoelige zorgsituatie terechtkomen, moet je bij hen staan. Alle betrokkenen moeten samen tot de meest menswaardig mogelijke beslissing komen. Volgens mijn personalistische opvatting loop je niet weg van de concrete situatie, maar blijf je er middenin en zie je wat er gaande is. Hoe wordt de situatie ervaren door alle betrokkenen? Wat zijn de lived experiences, de beleefde ervaringen? Op basis van de ervaring van alle betrokkenen, zoek je dan uit hoe in dat concrete geval waardigheidsbevorderende zorg kan ontstaan. In plaats van een ethisch probleem te benaderen op een bijna universalistische, theoretische manier, kijk ik eerst naar wat mensen zelf beleven. Deze ervaringsgerichte inzichten kunnen soms de weg naar het goede tonen.”

Op basis van lokale mogelijkheden, middelen, gebruiken en culturen zullen zorgverleners dan andere beslissingen nemen?

“Ik leg inderdaad veel nadruk op de particuliere context waarin ethische problemen zich voordoen. Volgens mij doe je daarmee recht aan de complexiteit van een ethische beslissing. Als je dat niet doet, ontstaat het gevaar dat je over de hoofden van de mensen heen beslist. Aandacht voor de context betekent evenwel niet dat zorgethiek alles relativeert, integendeel. Er zit wel degelijk een objectiviteit in het contextualiseren van complexe ethische beslissingen.”

We hechten toch een groot belang aan neutrale, professionele beslissingen?

“De grote misvatting van onze tijd is dat de schijn wordt gewerkt dat er een neutrale ethiek mogelijk is. Net zoals de principe-ethiek de schijn van neutraliteit heeft, maar allerminst neutraal is. Achter de principe-ethiek zit een zeer uitsproken mensbeeld: het individu dat zichzelf moet ontplooien en dat in de eerste plaats wordt opgevat als een rationeel denkend wezen. Dat mensbeeld heeft een enorme invloed gehad op de medische ethiek, bijvoorbeeld bij het principe van de informed consent, waarbij de patiënt toestemming verleent nadat hij is geïnformeerd. Informeren en toestemmen zijn rationele activiteiten. Nog een voorbeeld is de voorafgaande wilsverklaring, die in vele landen is gereglementeerd. Ook hier ga je uit van een individu dat als rationeel denkend wezen noteert wat hij verkiest op het moment dat hij nog wilsbekwaam is. Zodra het individu niet meer wilsbekwaam is, kan zijn autonomie worden gerespecteerd door de voorafgaande wilsverklaring te volgen. Daar is op zich niets mis mee, maar we weten na jaren ervaring dat het in de praktijk vaak een pak complexer is dan gewoon uitvoeren wat er op papier staat. Je kan op voorhand niet alle mogelijke scenario’s bedenken. Een arts kan dat niet, laat staan iemand die niet medisch geschoold is. Bovendien vraagt zo’n wilsverklaring altijd interpretatie. Dat pleit voor een benadering die uitgaat van een ander mensbeeld, waarin individuele autonomie belangrijk is, maar ook de relatie die je met anderen hebt. Een mens is altijd een medemens. De anderen zitten altijd in je eigen leven, of je dat nu wil of niet. Het is daarom niet onnatuurlijk of paternalistisch dat, bijvoorbeeld bij euthanasie, hulpverleners of familie ook hun zeg hebben. Levenseindezorg is relationeel. Euthanasie heeft een impact op de familie en op hulpverleners. Bovendien heb je in het personalisme nog een derde dimensie: de patiënt maakt deel uit van de samenleving. De goede gezondheidszorg waarop we in ons land kunnen rekenen hebben we niet zelf als individu opgebouwd, of samen met onze familie, maar als samenleving.”

Het verbaast u dus niet dat ethische vragen in Europese landen vaak fel van elkaar afwijkende discussies opleveren?

“Contexten verschillen. Een neutrale ethiek bestaat niet, want ethiek gaat over waarden. En die waarden vormen nu net de kern van levensbeschouwingen, religieuze en niet-religieuze. Als je vertrekt van een individualistisch mensbeeld zal je autonomie van het individu voorrang geven. Als je vanuit een christelijk perspectief denkt, zal je, naast autonomie, ook solidariteit en relationaliteit zoeken. Neem nu de euthanasiewetgeving in ons land, die duidelijk gebaseerd is op humanistische principes. Respect voor de autonomie van het individu is daarin het allerbelangrijkste. Iemand die euthanasie vraagt, moet dat uiteraard eerst en vooral zelf willen. Maar dat is niet voldoende. Vanuit een christelijk personalistisch standpunt is dit respect voor individuele autonomie evident, maar spelen er nog andere factoren mee, niet in het minst de verbondenheid van ieder mens met andere mensen. Bovendien is er het respect voor het leven, dat toch de hoeksteen vormt van onze beschaving en een plaats verdient in het debat. De indruk wordt gewekt dat de keuze voor autonomie als eerste principe een neutraal standpunt is, maar er is niets neutraal aan.”

Wat is de grote breuklijn in de medische ethiek geweest?

“De technologische ontwikkeling van de geneeskunde is in de jaren vijftig, zestig en zeventig goed en wel doorgebroken in de klinische praktijk. In de jaren vijftig heeft paus Pius XII tijdens een congres voor anesthesisten voor het eerst gesproken over de mogelijkheid om op het eind van het leven bepaalde behandelingen niet meer toe te passen. Voordien moest je daar niet over praten. De arts moest altijd alles doen wat hij kon. Zelfs als de arts zijn hele arsenaal mogelijkheden benutte, kwam hij toch altijd tekort. De patiënt stierf zo goed als altijd te vroeg. Plots kon de arts wel degelijk te veel doen en deed hij dat ook, met mensonwaardige stervensprocessen tot gevolg. Door het gebruik van de medische technologie aan het levenseinde in vraag te stellen, ontstond de nood aan een medisch-ethische bezinning. De palliatieve zorg is trouwens mede dankzij de kritische ethische bezinning op levenseindezorg tot volle ontplooiing kunnen komen.”
“De pluralisering van de samenleving is een tweede breukmoment. Voor de jaren vijftig was ons land overwegend katholiek. De kans dat je bij een arts terechtkwam met andere ethische opvattingen was zeer klein. Iedereen dacht nagenoeg hetzelfde en ethische conflicten waren er zelden. De uitgesproken levensbeschouwelijke profilering van de toenmalige gezondheidszorg was uiteraard niet exclusief van ethische aard. In vele gevallen had het ook met macht en belangen te maken. Vandaag leven we in een totaal andere wereld. De verschillende levensbeschouwingen zijn nu in onze samenleving aanwezig en ze hebben andere ethische consequenties. De duidelijke levensbeschouwelijke profilering is echter verzwakt en is hier en daar vervangen door een levensbeschouwelijke onverschilligheid, wat geen goede evolutie is. Daardoor treedt er een geruisloze ontwaarding van de gezondheidszorg op, die dan een technologische, bedrijfsmatige sturing krijgt. Dat is, wat mij betreft, een verlies. Goede zorg moet een waardenfundament hebben. We hebben dus nieuwe ethische input nodig. Gezondheidszorg gaat om mensen in kwetsbare situaties. Als je daarop een louter technologische of bedrijfsmatige logica loslaat, kom je tot mensonwaardige situaties. En dat willen we niet. De gezondheidszorg zit in een spanningsveld: hoe ga je menswaardig om met kwetsbare mensen? Je kan de ethiek nooit uit de gezondheidszorg halen. Integendeel, ze maakt er een wezenlijk deel van uit.”

Wat betekent menswaardige zorg in een superdiverse samenleving?

“Dat is een enorme uitdaging. Het levensbeschouwelijke profiel van onze samenleving is afgekalfd en we weten eigenlijk niet goed meer waarvoor we staan. Precies nu zijn er heel wat nieuwe landgenoten die wel een zeer duidelijk levensbeschouwelijk profiel hebben, zoals een groot deel van de moslims. Je hebt twee taalregisters die contradictorisch lijken. We zullen dat opnieuw een plaats moeten geven. Je lost het niet zomaar op door procedures te ontwikkelen, maar wel door een fundamenteel respect te ontwikkelen voor elkaars waardenpatroon. Je kan echter maar respect hebben voor het waardenpatroon van iemand anders als je je bewust bent van je eigen waarden. Op dat punt hebben we het moeilijk. Soms weten we niet goed waar we staan, en is een interlevensbeschouwelijke dialoog bij voorbaat een dovemansgesprek. Als we het gesprek echt voeren, zullen we ontdekken dat er veel gemeenschappelijk is. Wat de fundamenten van de bio-ethiek betreft, zijn er geen fundamentele verschillen tussen de grote godsdienstige tradities. De culturele verschillen vallen dan weer niet helemaal samen met de levensbeschouwing en zijn ingewikkelder.”

In zo’n superdiverse samenleving is het misschien net wel interessant om bij ethische problemen een heldere, op het principe-denken gebaseerde vragenlijst te hanteren.

“Ja, je kan procedures ontwikkelen. Maar eerst moeten we toch veel meer nadenken over hoe we de verhoudingen tot andere culturen zien. Op dat vlak is er weinig werk verricht. Men begint meteen procedures te schrijven, maar ze zijn zelden gebaseerd op een visie. Hoe kan je zo’n visie ontwikkelen? Bij het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht zijn we met die vraag volop bezig. Je moet bijvoorbeeld eerst de ervaringen, de lived experiences, van migranten met onze gezondheidszorg kennen. Zo hebben we nu een doctoraatsproject waarbij migrantenvrouwen die in Vlaanderen zijn bevallen worden bevraagd. Deze zorg is heel lichamelijk en dus willen we te weten komen hoe en waar er problemen opduiken met de perceptie van lichamelijkheid bij mensen die uit een andere cultuur komen. We proberen hun ervaring van kwetsbaarheid op dit vlak te begrijpen. Vervolgens onderzoeken we hoe we de waardigheid van die vrouwen kunnen verzekeren. Pas daarna kan je procedures of protocollen opstellen die deze inzichten naar de zorgpraktijk vertalen.”

“Je lost interculturele problemen in de gezondheidszorg niet op door er een tolk naast te plaatsen. Uiteraard is het belangrijk elkaar te verstaan. Maar echt begrip is er pas als we inzien hoe en in welke mate mensen die met andere, niet-Westerse ervaringen naar onze gezondheidszorg kijken, een moeilijk oplosbare spanning of conflict beleven. Het respecteren van die spanning is het begin van een oplossing.”

Legt dat niet een enorme druk op de schouders van zorgwerkers?

“Ja, want zorgwerkers moeten beseffen dat de houdingen die ze aannemen tegenover mensen gigantisch belangrijk zijn. Vanuit het principe-denken zou je vooral inzetten op tolken. Want dan verstaan mensen elkaar en wordt hun autonomie beter gerespecteerd. Vanuit een zorgethische, personalistische benadering zal het relationele, culturele aspect ook belangrijk zijn. Het is een illusie om te denken dat mensen volledig abstractie kunnen maken van hun culturele achtergrond. Een mens zit zo niet in elkaar. Het besef dat nieuwe Belgen, zelfs al zijn ze geïntegreerd, ook een andere cultuur in zich blijven dragen, druk je uit in houdingen van respect en aandacht. Zo zal je vele conflicten kunnen vermijden of ontmijnen.”

Hoe bereid je mensen daarop voor?

“Daar is veel discussie over. Je kan ze een ethische basisopleiding geven, want ethiek is ook een taal, en manier om over de werkelijkheid te praten. Iedereen verstaat bijvoorbeeld het woord waardigheid, maar je moet ook begrijpen hoeveel verschillende betekenissen ditzelfde woord kan hebben in ethische debatten. Maar die theoretische ethische basisopleiding is niet voldoende. Je hebt ook de ervaring zelf nodig, wat wij experience based ethics noemen. Je kan tientallen uren lesgeven over de kwetsbaarheid van de patiënt. Maar je begrijpt het pas als je een stukje van die kwetsbaarheid ervaart. De buitenlandse studenten van onze intensive course Nursing Ethics nemen we mee naar sTimul in Lubbeek (een zorgethisch lab van UZ Leuven, n.v.d.r.). De ene student wordt geblinddoekt, terwijl de andere hem of haar een potje yoghurt te eten geeft. De ervaring door een vreemde persoon te worden gevoed, zorgt voor een klik. Na al die theoretische lesuren, beseffen ze plots echt waar het in de zorgethiek om draait. Of hoe ethiekonderwijs soms heel lichamelijk kan zijn.”
>> www.cbmer.be
>> www.masterbioethics.org

Bron: Weliswaar


Samenleven met gezond verstand

In zijn boek Samenleven met gezond verstand schrijft moraalfilosoof en godsdienstwetenschapper Patrick Loobuyck over hoe we in onze maatschappij op een gezonde, tolerante manier met elkaar kunnen samenleven. In de volgende passage pleit hij voor islamrealisme.

In één dag zag ik in mijn kranten al deze termen de revue passeren: Europese islam, westerse islam, liberale islam, verlichte islam, humanistische islam, progressieve islam, gematigde islam, hervormde islam, rationele islam en ware islam. Ondanks dit terminologische kluwen is het waarschijnlijk duidelijk wat er die dag in de media aan de orde was. Namelijk de kwestie of de islam compatibel is of kan zijn met de uitgangspunten van de liberale rechtsstaat: scheiding van kerk en staat, vrijheid en gelijkheid, vrijheid van geweten en vrijheid van meningsuiting, redelijkheid en tolerantie. Het leerproces van de Rooms-Katholieke Kerk heb ik kort besproken. De vraag waarover nu fel gedebatteerd wordt, is: kan de islam ook zo’n leerproces doormaken?

Islamdebat
Er zijn gemakkelijk twee kampen te onderscheiden. Ik noem ze de islampessimisten en de islamoptimisten. De pessimisten zijn de islamcritici die voortdurend waarschuwen dat de islam een gevaarlijke ideologie is op basis waarvan gemakkelijk geweld, terreur en dwang gelegitimeerd kunnen worden. De islam is volgens hen inherent strijdig met de uitgangspunten van de liberale rechtsstaat. De pessimisten worden aangevoerd en aangevuurd door mensen als Wim van Rooy, Filip Dewinter en Geert Wilders. Ze noemen de islam onomwonden het nieuwe nazisme. De idee van een euro-islam is in hun ogen een contradictie. Ze verkondigen op dit punt dezelfde boodschap als destijds Sharia4Belgium: het is onmogelijk om tegelijk een goede moslim en een goede democraat te zijn. De moslim die de liberale democratie omarmt, is in de ogen van salafisten geen echte moslim meer en in de ogen van de islampessimist een onbetrouwbare wolf in een schapenvacht.

Islampessimisten benadrukken dat IS, Syriëstrijders en islamterreur uitwassen zijn van de ware islam, dat het fout loopt met de integratie van moslims omdat de islam niet te integreren valt enzovoort. Volgens de islamoptimisten gaat de islam in essentie over vrede, gerechtigheid, spiritualiteit, liefde en barmhartigheid. Deze apologetische stem wordt vanzelfsprekend vertolkt door nogal wat moslims, imams, moslimintellectuelen zoals Tariq Ramadan en inspecteurs islamitische godsdienst. Je vindt het discours ook terug bij succesauteur Karen Armstrong, bij antiracismeactivisten en in politiek correcte en linkse (ex-)marxistische kringen. Het geweld, de oorlog in het Midden-Oosten, de terreur, de criminaliteit en de integratieproblemen kunnen volgens hun analyse per definitie niets met de ware islam te maken hebben. IS misbruikt religie, de kalief van IS is geen echte moslim, de oorlog in het Midden-Oosten is een kwestie van geopolitiek en het vertrek van de Syriëstrijders heeft met sociaal-economische achterstand en discriminatie te maken. Men benadrukt dat moslims hier een minderheid zijn die beschermd moet worden. Kritiek op de islam wordt vanuit die hoek weleens verdacht gemaakt met het verwijt van islamofobie en zelfs racisme.

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

De optimisten en de pessimisten bezondigen zich aan dezelfde fout: de confirmation bias. Een dure term waarmee ik wil zeggen dat ze alleen aandacht geven en waarde hechten aan informatie die de eigen ideeën bevestigt. Ze negeren wat niet in hun kraam past. Beide kampen lijken wel in totaal verschillende werelden te leven. Volgens de pessimisten is hier nauwelijks sprake van een echt islamdebat, schrijven de media altijd vergoelijkend over de islam, mag er geen enkel moslimprobleem ‘benoemd’ worden en worden kritische stemmen de mond gesnoerd door de politiek correcte journalistieke elite. Vandaar dat Wim van Rooy in 2015 koos voor de boektitel Waarover men niet spreekt. Volgens de optimisten daarentegen doen we de laatste jaren niets anders dan negatief over moslims spreken en de islam bekritiseren. Volgens hen ligt de focus van het maatschappelijke debat al veel te lang eenzijdig op de islam en brengen de media de islam altijd in verband met integratieproblemen, terreur en geweld, fundamentalisme en conservatisme.
De pessimisten dreigen een complot te zien van moslims tegen onze samenleving. De optimisten zien een complot van onze samenleving tegen de moslims. De bias speelt ook in de manier waarop beide kampen naar de islam, de Koran en de islamitische bronnen kijken. De eerste groep ziet alleen de verzen van het zwaard, de tweede groep doet alsof die verzen van het zwaard niet bestaan.

Ware islam?

Ik bepleit islamrealisme. Ik ben optimistischer dan de islampessimisten. Vanuit het perspectief van de religiestudie, de godsdienstsociologie en de fenomenologie van de religie is er geen reden om te denken dat de islam niet kan evolueren en dus geen leerproces kan doormaken. Ik ben pessimistischer dan de islamoptimisten. Nogal wat islamitische strekkingen hebben een moeilijke verhouding met de uitgangspunten van het politiek liberalisme en het leerproces zal nog moeilijker zijn dan wat de Rooms-Katholieke Kerk heeft doorgemaakt.
Islampessimisten verstenen de religie tot wat de teksten voorschrijven. In dit geval vooral de Koran, die volgens moslims het woord van God bevat, en de Hadith en de soenna, die zogezegd stukken biografie, uitspraken en handelingen van Mohammed verzamelen. Het is gemakkelijk om er elementen te vinden die tegen de hedendaagse politieke opvattingen inzake vrijheid en gelijkheid ingaan. Maar de manier waarop de islam beleefd wordt, kan in meer of mindere mate geïnspireerd worden door die problematische passages.
Als de islam een plaats wil in een liberale rechtsstaat, dan moet hij in de woorden van Pim Fortuyn door de wasmachine van de verlichting gaan. Of datgene wat nadien uit de wasmachine komt, nog de ‘ware’ en ‘echte’ islam is, dat is voer voor gelovigen, hun imams en theologen. Politiek gesproken is dat, onder meer wegens de scheiding tussen kerk en staat, geen relevante vraag.

Godsdienst is steeds wat mensen ervan maken. Er bestaat een vrij grote consensus over het feit dat het christendom begonnen is als een eindtijdbeweging. Jezus zou snel terugkomen en het laatste oordeel zou niet lang op zich laten wachten. Dat is de geest waarin het Nieuwe Testament is geschreven. Met uitzondering van de Jehova’s getuigen is er op dit moment geen haan die nog kraait naar die eindtijd. Niemand die deze stukken tekst nog gebruikt om uit te maken wie een echte christen is.
In 1492 werd een telg uit de roemruchte Borgiafamilie paus Alexander VI. De televisieseries over deze familie zijn populair omdat ze ons een kijk geven op de intriges en het nepotisme van die tijd. Ze tonen hoe ver de Kerk afgegleden was van de oorspronkelijke boodschap van vrede, nederigheid en soberheid die uit de evangelies spreekt. Alexander was machtsgeil, had seks en had kinderen. En hij gaf ze op jonge leeftijd al een kardinaalstitel of een andere hoge functie. Niemand echter stelt zich de vraag of paus Alexander wel een katholiek was.
Of het christendom zonder eindtijdgedachte kan en of Rodrigo Borgia een ware christen was, dat moeten gelovigen en hun theologen uitmaken. Buitenstaanders kunnen alleen vaststellen dat er aan het christelijk geloof en de beleving ervan al heel uiteenlopende invullingen gegeven zijn.
Hetzelfde geldt voor de islam. Er zijn verschillende interpretaties en islambelevingen. Sommige kunnen nauw aansluiten bij bepaalde tekstpassages, andere zullen er erg van afwijken. Buitenstaanders kunnen evalueren welke tradities en interpretaties humaner zijn dan andere. Maar alleen gelovigen kunnen uitmaken wat volgens hen de ware islam is. Als president Barack Obama zegt dat IS niets met de ware islam te maken heeft, dan frons ik de wenkbrauwen. Maar ik heb evengoed bedenkingen bij de islamcritici en -pessimisten die weten dat wat IS verkondigt de ware islam is.

De islampessimist heeft gelijk: de islam speelt een rol in de problematiek van de Syriëstrijders en het Midden-Oosten. Maar het gaat om één bepaalde islaminterpretatie en je kunt de situatie niet begrijpen door alleen religie in rekening te brengen. De islamoptimist heeft gelijk dat ook geopolitiek een bepalende rol speelt in het Midden-Oosten. Maar wie doet alsof het kalifaat en de gewapende jihad niets met de islam te maken hebben, kent de geschiedenis en de tekstbronnen van de islam niet. Wie de link tussen IS en islam ontkent, is even eenzijdig en blind als diegene die de islam met IS vereenzelvigt.

Samenleven met gezond verstand door Patrick Loobuyck, Polis, 224 p., ISBN 9789463102711.
Bron: Knack


Het is tijd dat de stil­le brand­weer­lui op­staan’

On­der­zoeks­jour­na­lis­te Hind Frai­hi en po­li­to­loog Fouad Gan­doul over het op­ruk­ken­de vij­and­den­ken

het-is-tijd-dat-de-stille-brandweerlui-opstaanGru­we­lijk in zijn een­voud. Dat is elke aan­slag op­nieuw. Ber­lijn was geen uit­zon­de­ring. De 24-ja­ri­ge Anis Amri kaap­te een vracht­wa­gen en boor­de zich in een kerst­markt. Het ge­volg: twaalf doden, tien­tal­len ge­won­den en een con­ti­nent in angst en ver­twij­fe­ling.
Het zou hel­pen als ons be­scher­men tegen dit soort ge­weld even een­vou­dig was. Maar de een­voud van de aan­sla­gen is be­drieg­lijk. Het on­der­lig­gen­de pro­bleem is com­plex. ‘En voor com­plexe pro­ble­men be­staan nu een­maal geen een­vou­di­ge ant­woor­den’, zeg­gen Hind Frai­hi (40) en Fouad Gan­doul (39).
Frai­hi is on­der­zoeks­jour­na­lis­te. Ze maak­te tien jaar ge­le­den naam met een boek over de pro­ble­men in Mo­len­beek, dat pas vorig jaar als vi­si­o­nair werd be­schouwd. Gan­doul is zo­ne­ve­r­ant­woor­de­lij­ke voor het ACV, maar ge­bruikt zijn vor­ming als po­li­to­loog steeds meer om op de bar­ri­ca­den te klim­men voor een beter en com­ple­ter be­leid rond di­ver­si­teit en ra­di­ca­li­se­ring.

Schrok u nog van de aan­slag in Ber­lijn?

Hind Frai­hi: ‘Nee. IS kon­dig­de na Brus­sel al aan dat Duits­land ook op de agen­da stond. Er waren ook op­roe­pen via so­ci­a­le media. Het was, ook hier weer, een kwes­tie van tijd. De on­men­se­lijk­heid van zo’n aan­val raakt me na­tuur­lijk nog. Maar ver­baasd? Nee, dat niet.’

Fouad Gan­doul: ‘Het zal ook niet de laat­ste aan­slag zijn. We weten dui­de­lijk nog niet hoe we ons als maat­schap­pij hier­te­gen kun­nen be­scher­men. In Eu­ro­pa zal men een paar ver­snel­lin­gen hoger moe­ten scha­ke­len om het pu­bliek van dit soort bar­ba­rij te vrij­wa­ren.’

In de di­rec­te na­sleep werd met­een de toe­ne­men­de po­la­ri­se­ring weer dui­de­lijk. De ex­tre­men zijn het luidst hoor­baar. Trap­pen we daar­mee in de val van de ter­reur?

Gan­doul: ‘De de­mo­cra­tie zoals we die nu ken­nen, is ro­buust ge­noeg om dit soort schok­ken op te van­gen. Maar er is een pijn­grens, en die komt stil­aan in zicht. 2017 wordt de lak­moes­proef. IS is erop uit het Wes­ten te ont­wrich­ten. Dat kan op twee ma­nie­ren. Door aan­sla­gen te ple­gen en zo veel mo­ge­lijk onder de radar te blij­ven, wat her­haal­de­lijk is ge­beurd. Maar je kan ook het debat pro­be­ren te ver­gif­ti­gen. Dat is de kip met de gou­den ei­e­ren, voor zowel IS als ex­treem­rechts. Ze heb­ben al­le­bei de­zelf­de po­li­tie­ke agen­da, na­me­lijk de ver­nie­ti­ging van de li­be­ra­le waar­den waar we hier mee groot­ge­bracht zijn. Die twee zijn el­kaars ide­a­le bond­ge­no­ten.’

Frai­hi: ‘Het vij­and­den­ken is aan de win­nen­de hand. Niet zo­zeer het ter­ro­ris­me. Van­daag zien we een drang naar pseu­do-events. Denk aan de heisa over de kerst­stal en het gedoe over boer­ki­ni’s. We ver­lie­zen ons in ba­na­li­tei­ten. Dat soort pseu­do-events is nog ge­vaar­lij­ker dan het ter­ro­ris­me zelf. Ze creëren de basis van het vij­and­den­ken. Een soort vir­tu­e­le we­reld waar­in we bang zijn voor tri­vi­a­li­tei­ten. Dat leidt ons af van de echte pro­ble­men.’

Som­mi­ge his­to­ri­ci trek­ken pa­ral­lel­len met de aan­loop naar de Twee­de We­reld­oor­log. Is dat over­dre­ven?

Gan­doul: ‘Ik vind de ver­ge­lij­king met de jaren der­tig he­le­maal niet ver­ge­zocht. Die jaren wer­den ge­ty­peerd door de op­komst van een su­pre­ma­tie­den­ken. Dat zien we nu dui­de­lijk terug, aan beide ui­ter­sten. Wat we nu mee­ma­ken, heeft zich in de ge­schie­de­nis al vele malen voor­ge­daan.’

Frai­hi: ‘We leven in een ge­a­to­mi­seer­de, hoogst geïndi­vi­du­a­li­seer­de maat­schap­pij. Dat kan je even­goed re­flec­te­ren op de jaren der­tig. Het soort struc­tu­ren die het toen heb­ben over­ge­no­men, ge­dij­en het best in ge­a­to­mi­seer­de maat­schap­pij­en. Dan is het wach­ten op de vol­gen­de stap: van al die ver­schil­len­de ato­men een massa maken. Dat is nu aan het ge­beu­ren.’

‘Die aan­dacht voor pseu­do-events, het steeds dun­ner wor­den van de grens tus­sen in­for­ma­tie en en­ter­tain­ment, dat zijn pre­to­ta­li­tai­re ten­den­sen die je her­kent in het werk van po­li­tiek fi­lo­soof Han­nah Arendt, die het to­ta­li­ta­ris­me van de jaren der­tig als geen ander heeft be­stu­deerd. Te­ge­lijk ver­wach­ten we van onze be­leids­ma­kers op­los­sin­gen op korte ter­mijn. Het be­leid speelt daar­op in. Maar daar­mee krijg je een vi­ci­eu­ze cir­kel.’

Valt de cir­kel te door­bre­ken?

Frai­hi: ‘Wij zoe­ken grote, een­vou­di­ge op­los­sin­gen. Maar die be­staan niet. Het is ook niet in een wip en een gauw ver­rot, waar­om zou het dan snel op­ge­lost kun­nen wor­den? Je kan dit enkel coun­te­ren door een be­te­re re­a­li­teit te creëren. Het is naïef te den­ken dat één dera­di­ca­li­se­rings­pro­gram­ma alle ant­woor­den biedt. Je moet een palet struc­tu­re­le maat­re­ge­len dur­ven te nemen. Dat vergt tijd en ener­gie, twee din­gen die we niet op over­schot heb­ben.’

Gan­doul: ‘We moe­ten er op een of an­de­re ma­nier in sla­gen ook be­grip te voe­len voor de an­de­re, wat in de so­ci­o­lo­gie ‘bon­ding en brid­ging so­ci­al ca­pi­tal’ wordt ge­noemd. Dat moet je als over­heid on­der­steu­nen. Maar daar moet je als per­soon ook zelf je ver­ant­woor­de­lijk­heid in dur­ven te nemen. Als je dat niet doet, moet je ach­ter­af niet komen zeu­ren dat je niet be­gre­pen wordt. Zon­der be­grip voor el­kaar gaan men­sen co­coo­nen. Mo­len­beek is daar een voor­beeld van. Dat is niet ge­zond. Je hebt een so­ci­a­le mix nodig.’

Welke maat­re­ge­len zijn nodig?

Gan­doul: ‘We moe­ten de maat­schap­pe­lij­ke struc­tu­ren in­zet­ten, ook al zijn die ge­brek­kig. We heb­ben tijd noch geld om van nul te be­gin­nen. Dus moe­ten we eerst bin­nen de be­staan­de struc­tu­ren de juis­te men­sen aan­stel­len. Spreekt een imam geen Ne­der­lands? Weg ermee, en on­mid­del­lijk. In een mos­kee moet ie­mand staan die voe­ling heeft met de maat­schap­pij waar­in we leven, die con­text kan bie­den.’

‘Ook het on­der­wijs is van pri­mor­di­aal be­lang, dat is echt de gou­den sleu­tel voor een op­los­sing. Het is een drama dat al­loch­to­ne jon­ge­ren zo mas­saal de school ver­la­ten zon­der di­plo­ma. Hoe wil­len we in gods­naam tot een mid­den­klas­se komen als het ons aan ba­sis­ma­te­ri­aal ont­breekt? Dat is als een taart pro­be­ren te bak­ken met zand. Er is bij mijn weten geen di­ver­si­teits­be­leid die naam waar­dig in onze scho­len. Iets als ‘Black His­to­ry Month’ in de VS be­staat hier niet. Hoe­veel jon­ge­ren in Bor­ger­hout heb­ben in hun school ge­leerd over de grote is­la­mi­ti­sche fi­lo­soof Aver­roes? Nul. Nau­we­lijks ie­mand die nog weet welke wis­kun­di­ge stel­lin­gen van ara­bi­sche ori­gi­ne zijn. Je moet jon­ge­ren her­ken­nings­pun­ten geven. Din­gen waar ze zich aan kun­nen op­trek­ken. Als je in je wijk enkel drugs­dea­lers en ar­moe­zaai­ers hebt, en je ou­ders zijn laag op­ge­leid of an­al­fa­beet, waar­aan moet je je­zelf dan op­trek­ken?’

‘De ar­beids­markt is nog zo’n struc­tu­reel pro­bleem. Hier is, hoe je het ook draait of keert, nog te veel dis­cri­mi­na­tie op de ar­beids­markt. Hoog­op­ge­lei­de pro­fie­len die naast het net vis­sen, niet om wat ze kun­nen, maar om wie ze zijn. Pas als we dat kun­nen af­wer­pen, zul­len we er als maat­schap­pij op voor­uit­gaan. Maar daar zijn we nog niet. En dus zien we ons ta­lent met al­loch­to­ne roots naar het bui­ten­land ver­dwij­nen. En als je al je ta­lent ziet ver­dwij­nen, waar blijf je dan mee over?’

‘Een be­leid dat deze ge­ken­de bron­nen van on­te­vre­den­heid aan­pakt, is de snel­ste weg naar het op­staan van een al­loch­to­ne mid­den­klas­se. En hoe snel­ler die er komt, hoe spoe­di­ger en ef­fi­ciënter we ra­di­ca­li­se­ring een halt toe kun­nen roe­pen.’

Frai­hi: ‘Die so­cio-eco­no­mi­sche fac­to­ren zijn heel erg be­lang­rijk. Maar het moet ook voor een stuk van de ge­meen­schap zelf komen. Waar­om heeft de mos­lim­ge­meen­schap het zo moei­lijk met kri­ti­sche zelf­re­flec­tie? Pas als je je­zelf ter dis­cus­sie kan stel­len, kan je je­zelf ook ver­be­te­ren.’

Zelfs als we onze struc­tu­ren op­ti­ma­li­se­ren, blijft er de in­vloed van bui­ten­af.

Gan­doul: ‘Klopt, we mogen de ge­o­po­li­tie­ke si­tu­a­tie niet uit het oog ver­lie­zen. Stel dat we met een bud­get­tair over­schot zaten, en we kun­nen ro­buus­te struc­tu­ren neer­zet­ten om onze pro­ble­men aan te pak­ken. Dan moet je nog al­tijd re­ke­ning hou­den met de in­for­ma­tie die van bui­ten­af komt. Er is geen gro­ter ver­gif dan het wa­ha­bi­ti­sche dis­cours uit Sau­di-Ara­bië.’

Frai­hi: ‘Ik hoor het u graag zeg­gen. Sau­di-Ara­bië is de ul­tie­me ver­gif­ti­ger van de gees­ten van mos­lims we­reld­wijd. Maar daar kan al­leen de po­li­tiek iets aan doen.’

Waar­om ge­beurt dat niet?

Frai­hi: ‘Han­dels­be­lan­gen. Geld. Zo een­vou­dig is het. We kun­nen hier blij­ven roe­pen dat we onze de­mo­cra­ti­sche wes­ter­se waar­den met hand en tand zul­len ver­de­di­gen. Maar dat zijn holle slo­gans zo­lang je geld boven prin­ci­pes plaatst. Ik heb geen enkel land horen vra­gen om een eco­no­mi­sche boy­cot tegen Sa­oe­di-Ara­bië. Hoe kan je in­ves­te­ren in een dera­di­ca­li­se­rings­pro­gram­ma, en te­ge­lijk dat land als je bond­ge­noot zien? We rol­len de rode loper uit voor het to­ta­li­tai­re den­ken van­uit het wa­ha­bis­me. Omdat er geen Eu­ro­pe­se islam die naam waar­dig is, is er een gat ge­val­len dat zij maar wat graag heb­ben in­ge­vuld met hun den­ken.’

Gan­doul: ‘Er is in de ge­schie­de­nis geen meer re­tro­gra­de ver­sie van de islam voort­ge­bracht dan het wa­ha­bis­me. Pure waan­zin. Maar die visie vindt wel zijn weg we­reld­wijd.’

U pleit er al lan­ger voor dat er een soort Eu­ro­pe­se islam moet komen. Waar­om is die er van­daag niet?

Gan­doul: ‘Ik ga hier even kort door de bocht. Maar de groot­ste fla­ter die België in dit debat heeft ge­maakt, is de of­fi­ciële er­ken­ning van de islam in de jaren ze­ven­tig. Op dat mo­ment had er een cor­pus van leer­krach­ten te­gen­over moe­ten staan, die van hier­uit, van­uit het Vlaam­se per­spec­tief, een in­vul­ling had moe­ten geven aan de re­li­gi­eu­ze tek­sten. Er was geen struc­tuur die de mos­lims kon mee­ne­men in het ver­haal dat Vlaan­de­ren heet. Die bij­voor­beeld kon uit­leg­gen dat de ont­voog­ding van de ka­tho­lie­ke kerk een harde strijd is ge­weest. Een mos­lim die dat be­seft, kan al wat meer be­grip op­bren­gen voor zijn buur­man die hef­tig re­a­geert op een hoofd­doek.’

‘Ik be­grijp dat de door­snee-Vla­ming geen zin heeft om het juk van de kerk in te rui­len voor dat van de islam. Maar dat ik daar be­grip voor kan op­bren­gen is ook maar omdat ik de keuze heb ge­maakt om me daar­in te ver­die­pen. Er is meer nood aan dat em­pa­thisch ver­mo­gen. Als je ruzie hebt met je vrouw, en je kan je niet in­le­ven in haar stand­punt, dan blijft er iets slui­me­ren. Het­zelf­de zien we nu in de maat­schap­pij. Al­leen kan het voor ons niet ein­di­gen in een echt­schei­ding, wat het Vlaams Be­lang ook be­weert.’

Heeft de islam zijn ver­lich­ting ge­mist, zoals soms wordt be­weerd?

Gan­doul: ‘Nee. Die ver­lich­ting was er al volop in de 12de eeuw. Wat we nu zien is post-ver­lich­ting. Het wa­ha­bis­me is een pro­tes­tant­se re­ac­tie op de mo­der­ni­se­ring van toen. Ver­lich­ting is ove­ri­gens geen ga­ran­tie op een einde van bar­ba­rij, laten we wel wezen. Mijn tante is van Jood­se ori­gi­ne, haar fa­mi­lie is ge­stor­ven in Auschwitz. Dat is ook na de ver­lich­ting ge­beurd.’

‘Er is wel een eeu­wi­ge nood aan een soort per­soon­lij­ke ver­lich­ting. Ie­der­een is een pro­duct van zijn eigen con­text. Als je elke dag van je ou­ders te horen krijgt dat Ma­rok­ka­nen ‘ma­kak­ken’ zijn of dat Joden de oor­zaak zijn van alle pro­ble­men, dan is het moei­lijk uit dat den­ken los te bre­ken. Het zou niet mogen, maar het is erg men­se­lijk om je kin­de­ren groot te bren­gen met een soort ge­ro­man­ti­seer­de, my­tho-his­to­ri­sche ver­sie van de ge­schie­de­nis.’

Dat de Sa­oe­di’s dat we­reld­wijd heb­ben geïntro­du­ceerd, maakt dat uw droom voor een mo­der­ne islam on­mo­ge­lijk? Ge­ma­tig­de mos­lims in pro­bleem­wij­ken wor­den van­daag soms af­ge­dreigd of uit­ge­slo­ten.

Gan­doul: ‘We heb­ben te veel luid­ruch­ti­ge py­ro­ma­nen in dit debat, ter­wijl we nood heb­ben aan brand­weer­lui. Die zijn er, ze vor­men zelfs de meer­der­heid. Ze wer­ken in de cou­lis­sen, leven ge­woon hun leven met res­pect voor el­kaar. Ze hou­den de maat­schap­pij samen. Maar we horen ze te wei­nig.’

‘Wie hoor je wel? De schreeu­wers. De idi­o­ten met lange baar­den, die moord en brand en drei­ge­men­ten schreeu­wen. Wel, het is tijd dat de stil­le meer­der­heid van brand­weer­lui mon­dig wordt. Dat ze dur­ven te zeg­gen: ‘Het is niet omdat jij met een baard tot op je knieën loopt dat je meer mos­lim bent dan ik. Het is niet omdat je Ara­bisch spreekt, dat je een be­te­re mos­lim bent.’ Maar even­goed: ‘Het is niet omdat jij blond bent en blau­we ogen hebt, dat je meer recht hebt op de Vlaam­se de­mo­cra­tie dan ik.’ Die re­flex is er nog te wei­nig. En omdat de massa stil is, klinkt de lok­roep van het ex­tre­mis­me luid.’

Frai­hi: ‘Dat pro­bleem be­staat al heel lang. De Ro­mei­nen zei­den al: ‘Mun­dus vult de­ci­pi.’ De we­reld wil be­dro­gen wor­den. En dus ver­troe­be­len we ons beeld lie­ver. Er is een grote onwil om de re­a­li­teit te zien. Ik dacht na Pa­rijs en Brus­sel dat we niet an­ders zou­den kun­nen dan struc­tu­reel in­grij­pen. Maar ver­der dan met het vin­ger­tje zwaai­en en alles in hok­jes stop­pen zijn we nog niet ge­raakt. Tus­sen het grote weg­kij­ken en het grote be­noe­men zat een soort nie­mands­land, een pe­ri­o­de van tien jaar waar­in ge­han­deld had kun­nen en moe­ten wor­den. Dat is niet ge­beurd.’

Hoe komt dat?

Frai­hi: ‘Dat is puur po­li­tiek op­por­tu­nis­me: men­sen be­kij­ken als kies­vee.’

Gan­doul: ‘Kies­vee. Dat woord vat alles samen: in­spe­len op het sen­ti­ment van een deel van de be­vol­king zon­der daar echt iets te­gen­over te plaat­sen. Dat ge­beurt even­goed voor niet-mos­lims, ove­ri­gens. Dat is het einde van de de­mo­cra­ti­sche rede, dat is pure de­ma­go­gie. Er is wei­nig gif­ti­ger dan dat. Hoed u voor sim­plis­men. Je kan com­plexe pro­ble­men nu een­maal niet sim­pel op­los­sen.’

U zei het al, na de aan­sla­gen in Pa­rijs en Brus­sel is er niet zo heel veel struc­tu­reels ge­beurd. Waren dat niet de ide­a­le ca­thar­sis­mo­men­ten?

Frai­hi: ‘Ik be­grijp niet waar­om Pa­rijs en Brus­sel ca­thar­sis­mo­men­ten zou­den moe­ten zijn. De brand­haar­den zijn er al heel lang, er waren al lang symp­to­men zicht­baar van wat zou komen. Dát had­den de mo­men­ten moe­ten zijn om te han­de­len.’

‘We moe­ten toch niet wach­ten op schok­the­ra­pie, op een vol­gen­de truck die zich in een kerst­markt boort. De re­a­li­teit is elke dag zicht­baar in klei­ne din­gen. Daar moe­ten we naar dur­ven te kij­ken. Ook bui­ten Eu­ro­pa. We wis­ten per­fect dat er gol­ven strij­ders zijn ver­trok­ken naar al­ler­lei fron­ten in het bui­ten­land, van Syrië over Tsjet­sje­nië tot Af­gha­nis­tan. Maar we zijn pas wak­ker ge­scho­ten toen het front naar Eu­ro­pa werd ver­legd.’

‘Het lijkt alsof we be­trok­ken­heid tonen als ter­reur zich voor­doet op Eu­ro­pe­se bodem. De ter­reur in de rest van de we­reld is een ver-van-mijn-bed­s­how. Tur­kije en Tu­ne­sië zijn dan plots ver weg. Maar voor een all-in­va­kan­tie zijn ze dat niet. We zou­den ons ook zon­der tour­ope­ra­tor ver­bon­den moe­ten voe­len met el­kaar.’

Bron: De Tijd