Grijze Geuzen Hasselt

Vrij, vrijzinnig en gastvrij

Varia

Samenleven met gezond verstand

In zijn boek Samenleven met gezond verstand schrijft moraalfilosoof en godsdienstwetenschapper Patrick Loobuyck over hoe we in onze maatschappij op een gezonde, tolerante manier met elkaar kunnen samenleven. In de volgende passage pleit hij voor islamrealisme.

In één dag zag ik in mijn kranten al deze termen de revue passeren: Europese islam, westerse islam, liberale islam, verlichte islam, humanistische islam, progressieve islam, gematigde islam, hervormde islam, rationele islam en ware islam. Ondanks dit terminologische kluwen is het waarschijnlijk duidelijk wat er die dag in de media aan de orde was. Namelijk de kwestie of de islam compatibel is of kan zijn met de uitgangspunten van de liberale rechtsstaat: scheiding van kerk en staat, vrijheid en gelijkheid, vrijheid van geweten en vrijheid van meningsuiting, redelijkheid en tolerantie. Het leerproces van de Rooms-Katholieke Kerk heb ik kort besproken. De vraag waarover nu fel gedebatteerd wordt, is: kan de islam ook zo’n leerproces doormaken?

Islamdebat
Er zijn gemakkelijk twee kampen te onderscheiden. Ik noem ze de islampessimisten en de islamoptimisten. De pessimisten zijn de islamcritici die voortdurend waarschuwen dat de islam een gevaarlijke ideologie is op basis waarvan gemakkelijk geweld, terreur en dwang gelegitimeerd kunnen worden. De islam is volgens hen inherent strijdig met de uitgangspunten van de liberale rechtsstaat. De pessimisten worden aangevoerd en aangevuurd door mensen als Wim van Rooy, Filip Dewinter en Geert Wilders. Ze noemen de islam onomwonden het nieuwe nazisme. De idee van een euro-islam is in hun ogen een contradictie. Ze verkondigen op dit punt dezelfde boodschap als destijds Sharia4Belgium: het is onmogelijk om tegelijk een goede moslim en een goede democraat te zijn. De moslim die de liberale democratie omarmt, is in de ogen van salafisten geen echte moslim meer en in de ogen van de islampessimist een onbetrouwbare wolf in een schapenvacht.

Islampessimisten benadrukken dat IS, Syriëstrijders en islamterreur uitwassen zijn van de ware islam, dat het fout loopt met de integratie van moslims omdat de islam niet te integreren valt enzovoort. Volgens de islamoptimisten gaat de islam in essentie over vrede, gerechtigheid, spiritualiteit, liefde en barmhartigheid. Deze apologetische stem wordt vanzelfsprekend vertolkt door nogal wat moslims, imams, moslimintellectuelen zoals Tariq Ramadan en inspecteurs islamitische godsdienst. Je vindt het discours ook terug bij succesauteur Karen Armstrong, bij antiracismeactivisten en in politiek correcte en linkse (ex-)marxistische kringen. Het geweld, de oorlog in het Midden-Oosten, de terreur, de criminaliteit en de integratieproblemen kunnen volgens hun analyse per definitie niets met de ware islam te maken hebben. IS misbruikt religie, de kalief van IS is geen echte moslim, de oorlog in het Midden-Oosten is een kwestie van geopolitiek en het vertrek van de Syriëstrijders heeft met sociaal-economische achterstand en discriminatie te maken. Men benadrukt dat moslims hier een minderheid zijn die beschermd moet worden. Kritiek op de islam wordt vanuit die hoek weleens verdacht gemaakt met het verwijt van islamofobie en zelfs racisme.

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

De optimisten en de pessimisten bezondigen zich aan dezelfde fout: de confirmation bias. Een dure term waarmee ik wil zeggen dat ze alleen aandacht geven en waarde hechten aan informatie die de eigen ideeën bevestigt. Ze negeren wat niet in hun kraam past. Beide kampen lijken wel in totaal verschillende werelden te leven. Volgens de pessimisten is hier nauwelijks sprake van een echt islamdebat, schrijven de media altijd vergoelijkend over de islam, mag er geen enkel moslimprobleem ‘benoemd’ worden en worden kritische stemmen de mond gesnoerd door de politiek correcte journalistieke elite. Vandaar dat Wim van Rooy in 2015 koos voor de boektitel Waarover men niet spreekt. Volgens de optimisten daarentegen doen we de laatste jaren niets anders dan negatief over moslims spreken en de islam bekritiseren. Volgens hen ligt de focus van het maatschappelijke debat al veel te lang eenzijdig op de islam en brengen de media de islam altijd in verband met integratieproblemen, terreur en geweld, fundamentalisme en conservatisme.
De pessimisten dreigen een complot te zien van moslims tegen onze samenleving. De optimisten zien een complot van onze samenleving tegen de moslims. De bias speelt ook in de manier waarop beide kampen naar de islam, de Koran en de islamitische bronnen kijken. De eerste groep ziet alleen de verzen van het zwaard, de tweede groep doet alsof die verzen van het zwaard niet bestaan.

Ware islam?

Ik bepleit islamrealisme. Ik ben optimistischer dan de islampessimisten. Vanuit het perspectief van de religiestudie, de godsdienstsociologie en de fenomenologie van de religie is er geen reden om te denken dat de islam niet kan evolueren en dus geen leerproces kan doormaken. Ik ben pessimistischer dan de islamoptimisten. Nogal wat islamitische strekkingen hebben een moeilijke verhouding met de uitgangspunten van het politiek liberalisme en het leerproces zal nog moeilijker zijn dan wat de Rooms-Katholieke Kerk heeft doorgemaakt.
Islampessimisten verstenen de religie tot wat de teksten voorschrijven. In dit geval vooral de Koran, die volgens moslims het woord van God bevat, en de Hadith en de soenna, die zogezegd stukken biografie, uitspraken en handelingen van Mohammed verzamelen. Het is gemakkelijk om er elementen te vinden die tegen de hedendaagse politieke opvattingen inzake vrijheid en gelijkheid ingaan. Maar de manier waarop de islam beleefd wordt, kan in meer of mindere mate geïnspireerd worden door die problematische passages.
Als de islam een plaats wil in een liberale rechtsstaat, dan moet hij in de woorden van Pim Fortuyn door de wasmachine van de verlichting gaan. Of datgene wat nadien uit de wasmachine komt, nog de ‘ware’ en ‘echte’ islam is, dat is voer voor gelovigen, hun imams en theologen. Politiek gesproken is dat, onder meer wegens de scheiding tussen kerk en staat, geen relevante vraag.

Godsdienst is steeds wat mensen ervan maken. Er bestaat een vrij grote consensus over het feit dat het christendom begonnen is als een eindtijdbeweging. Jezus zou snel terugkomen en het laatste oordeel zou niet lang op zich laten wachten. Dat is de geest waarin het Nieuwe Testament is geschreven. Met uitzondering van de Jehova’s getuigen is er op dit moment geen haan die nog kraait naar die eindtijd. Niemand die deze stukken tekst nog gebruikt om uit te maken wie een echte christen is.
In 1492 werd een telg uit de roemruchte Borgiafamilie paus Alexander VI. De televisieseries over deze familie zijn populair omdat ze ons een kijk geven op de intriges en het nepotisme van die tijd. Ze tonen hoe ver de Kerk afgegleden was van de oorspronkelijke boodschap van vrede, nederigheid en soberheid die uit de evangelies spreekt. Alexander was machtsgeil, had seks en had kinderen. En hij gaf ze op jonge leeftijd al een kardinaalstitel of een andere hoge functie. Niemand echter stelt zich de vraag of paus Alexander wel een katholiek was.
Of het christendom zonder eindtijdgedachte kan en of Rodrigo Borgia een ware christen was, dat moeten gelovigen en hun theologen uitmaken. Buitenstaanders kunnen alleen vaststellen dat er aan het christelijk geloof en de beleving ervan al heel uiteenlopende invullingen gegeven zijn.
Hetzelfde geldt voor de islam. Er zijn verschillende interpretaties en islambelevingen. Sommige kunnen nauw aansluiten bij bepaalde tekstpassages, andere zullen er erg van afwijken. Buitenstaanders kunnen evalueren welke tradities en interpretaties humaner zijn dan andere. Maar alleen gelovigen kunnen uitmaken wat volgens hen de ware islam is. Als president Barack Obama zegt dat IS niets met de ware islam te maken heeft, dan frons ik de wenkbrauwen. Maar ik heb evengoed bedenkingen bij de islamcritici en -pessimisten die weten dat wat IS verkondigt de ware islam is.

De islampessimist heeft gelijk: de islam speelt een rol in de problematiek van de Syriëstrijders en het Midden-Oosten. Maar het gaat om één bepaalde islaminterpretatie en je kunt de situatie niet begrijpen door alleen religie in rekening te brengen. De islamoptimist heeft gelijk dat ook geopolitiek een bepalende rol speelt in het Midden-Oosten. Maar wie doet alsof het kalifaat en de gewapende jihad niets met de islam te maken hebben, kent de geschiedenis en de tekstbronnen van de islam niet. Wie de link tussen IS en islam ontkent, is even eenzijdig en blind als diegene die de islam met IS vereenzelvigt.

Samenleven met gezond verstand door Patrick Loobuyck, Polis, 224 p., ISBN 9789463102711.
Bron: Knack


Het is tijd dat de stil­le brand­weer­lui op­staan’

On­der­zoeks­jour­na­lis­te Hind Frai­hi en po­li­to­loog Fouad Gan­doul over het op­ruk­ken­de vij­and­den­ken

het-is-tijd-dat-de-stille-brandweerlui-opstaanGru­we­lijk in zijn een­voud. Dat is elke aan­slag op­nieuw. Ber­lijn was geen uit­zon­de­ring. De 24-ja­ri­ge Anis Amri kaap­te een vracht­wa­gen en boor­de zich in een kerst­markt. Het ge­volg: twaalf doden, tien­tal­len ge­won­den en een con­ti­nent in angst en ver­twij­fe­ling.
Het zou hel­pen als ons be­scher­men tegen dit soort ge­weld even een­vou­dig was. Maar de een­voud van de aan­sla­gen is be­drieg­lijk. Het on­der­lig­gen­de pro­bleem is com­plex. ‘En voor com­plexe pro­ble­men be­staan nu een­maal geen een­vou­di­ge ant­woor­den’, zeg­gen Hind Frai­hi (40) en Fouad Gan­doul (39).
Frai­hi is on­der­zoeks­jour­na­lis­te. Ze maak­te tien jaar ge­le­den naam met een boek over de pro­ble­men in Mo­len­beek, dat pas vorig jaar als vi­si­o­nair werd be­schouwd. Gan­doul is zo­ne­ve­r­ant­woor­de­lij­ke voor het ACV, maar ge­bruikt zijn vor­ming als po­li­to­loog steeds meer om op de bar­ri­ca­den te klim­men voor een beter en com­ple­ter be­leid rond di­ver­si­teit en ra­di­ca­li­se­ring.

Schrok u nog van de aan­slag in Ber­lijn?

Hind Frai­hi: ‘Nee. IS kon­dig­de na Brus­sel al aan dat Duits­land ook op de agen­da stond. Er waren ook op­roe­pen via so­ci­a­le media. Het was, ook hier weer, een kwes­tie van tijd. De on­men­se­lijk­heid van zo’n aan­val raakt me na­tuur­lijk nog. Maar ver­baasd? Nee, dat niet.’

Fouad Gan­doul: ‘Het zal ook niet de laat­ste aan­slag zijn. We weten dui­de­lijk nog niet hoe we ons als maat­schap­pij hier­te­gen kun­nen be­scher­men. In Eu­ro­pa zal men een paar ver­snel­lin­gen hoger moe­ten scha­ke­len om het pu­bliek van dit soort bar­ba­rij te vrij­wa­ren.’

In de di­rec­te na­sleep werd met­een de toe­ne­men­de po­la­ri­se­ring weer dui­de­lijk. De ex­tre­men zijn het luidst hoor­baar. Trap­pen we daar­mee in de val van de ter­reur?

Gan­doul: ‘De de­mo­cra­tie zoals we die nu ken­nen, is ro­buust ge­noeg om dit soort schok­ken op te van­gen. Maar er is een pijn­grens, en die komt stil­aan in zicht. 2017 wordt de lak­moes­proef. IS is erop uit het Wes­ten te ont­wrich­ten. Dat kan op twee ma­nie­ren. Door aan­sla­gen te ple­gen en zo veel mo­ge­lijk onder de radar te blij­ven, wat her­haal­de­lijk is ge­beurd. Maar je kan ook het debat pro­be­ren te ver­gif­ti­gen. Dat is de kip met de gou­den ei­e­ren, voor zowel IS als ex­treem­rechts. Ze heb­ben al­le­bei de­zelf­de po­li­tie­ke agen­da, na­me­lijk de ver­nie­ti­ging van de li­be­ra­le waar­den waar we hier mee groot­ge­bracht zijn. Die twee zijn el­kaars ide­a­le bond­ge­no­ten.’

Frai­hi: ‘Het vij­and­den­ken is aan de win­nen­de hand. Niet zo­zeer het ter­ro­ris­me. Van­daag zien we een drang naar pseu­do-events. Denk aan de heisa over de kerst­stal en het gedoe over boer­ki­ni’s. We ver­lie­zen ons in ba­na­li­tei­ten. Dat soort pseu­do-events is nog ge­vaar­lij­ker dan het ter­ro­ris­me zelf. Ze creëren de basis van het vij­and­den­ken. Een soort vir­tu­e­le we­reld waar­in we bang zijn voor tri­vi­a­li­tei­ten. Dat leidt ons af van de echte pro­ble­men.’

Som­mi­ge his­to­ri­ci trek­ken pa­ral­lel­len met de aan­loop naar de Twee­de We­reld­oor­log. Is dat over­dre­ven?

Gan­doul: ‘Ik vind de ver­ge­lij­king met de jaren der­tig he­le­maal niet ver­ge­zocht. Die jaren wer­den ge­ty­peerd door de op­komst van een su­pre­ma­tie­den­ken. Dat zien we nu dui­de­lijk terug, aan beide ui­ter­sten. Wat we nu mee­ma­ken, heeft zich in de ge­schie­de­nis al vele malen voor­ge­daan.’

Frai­hi: ‘We leven in een ge­a­to­mi­seer­de, hoogst geïndi­vi­du­a­li­seer­de maat­schap­pij. Dat kan je even­goed re­flec­te­ren op de jaren der­tig. Het soort struc­tu­ren die het toen heb­ben over­ge­no­men, ge­dij­en het best in ge­a­to­mi­seer­de maat­schap­pij­en. Dan is het wach­ten op de vol­gen­de stap: van al die ver­schil­len­de ato­men een massa maken. Dat is nu aan het ge­beu­ren.’

‘Die aan­dacht voor pseu­do-events, het steeds dun­ner wor­den van de grens tus­sen in­for­ma­tie en en­ter­tain­ment, dat zijn pre­to­ta­li­tai­re ten­den­sen die je her­kent in het werk van po­li­tiek fi­lo­soof Han­nah Arendt, die het to­ta­li­ta­ris­me van de jaren der­tig als geen ander heeft be­stu­deerd. Te­ge­lijk ver­wach­ten we van onze be­leids­ma­kers op­los­sin­gen op korte ter­mijn. Het be­leid speelt daar­op in. Maar daar­mee krijg je een vi­ci­eu­ze cir­kel.’

Valt de cir­kel te door­bre­ken?

Frai­hi: ‘Wij zoe­ken grote, een­vou­di­ge op­los­sin­gen. Maar die be­staan niet. Het is ook niet in een wip en een gauw ver­rot, waar­om zou het dan snel op­ge­lost kun­nen wor­den? Je kan dit enkel coun­te­ren door een be­te­re re­a­li­teit te creëren. Het is naïef te den­ken dat één dera­di­ca­li­se­rings­pro­gram­ma alle ant­woor­den biedt. Je moet een palet struc­tu­re­le maat­re­ge­len dur­ven te nemen. Dat vergt tijd en ener­gie, twee din­gen die we niet op over­schot heb­ben.’

Gan­doul: ‘We moe­ten er op een of an­de­re ma­nier in sla­gen ook be­grip te voe­len voor de an­de­re, wat in de so­ci­o­lo­gie ‘bon­ding en brid­ging so­ci­al ca­pi­tal’ wordt ge­noemd. Dat moet je als over­heid on­der­steu­nen. Maar daar moet je als per­soon ook zelf je ver­ant­woor­de­lijk­heid in dur­ven te nemen. Als je dat niet doet, moet je ach­ter­af niet komen zeu­ren dat je niet be­gre­pen wordt. Zon­der be­grip voor el­kaar gaan men­sen co­coo­nen. Mo­len­beek is daar een voor­beeld van. Dat is niet ge­zond. Je hebt een so­ci­a­le mix nodig.’

Welke maat­re­ge­len zijn nodig?

Gan­doul: ‘We moe­ten de maat­schap­pe­lij­ke struc­tu­ren in­zet­ten, ook al zijn die ge­brek­kig. We heb­ben tijd noch geld om van nul te be­gin­nen. Dus moe­ten we eerst bin­nen de be­staan­de struc­tu­ren de juis­te men­sen aan­stel­len. Spreekt een imam geen Ne­der­lands? Weg ermee, en on­mid­del­lijk. In een mos­kee moet ie­mand staan die voe­ling heeft met de maat­schap­pij waar­in we leven, die con­text kan bie­den.’

‘Ook het on­der­wijs is van pri­mor­di­aal be­lang, dat is echt de gou­den sleu­tel voor een op­los­sing. Het is een drama dat al­loch­to­ne jon­ge­ren zo mas­saal de school ver­la­ten zon­der di­plo­ma. Hoe wil­len we in gods­naam tot een mid­den­klas­se komen als het ons aan ba­sis­ma­te­ri­aal ont­breekt? Dat is als een taart pro­be­ren te bak­ken met zand. Er is bij mijn weten geen di­ver­si­teits­be­leid die naam waar­dig in onze scho­len. Iets als ‘Black His­to­ry Month’ in de VS be­staat hier niet. Hoe­veel jon­ge­ren in Bor­ger­hout heb­ben in hun school ge­leerd over de grote is­la­mi­ti­sche fi­lo­soof Aver­roes? Nul. Nau­we­lijks ie­mand die nog weet welke wis­kun­di­ge stel­lin­gen van ara­bi­sche ori­gi­ne zijn. Je moet jon­ge­ren her­ken­nings­pun­ten geven. Din­gen waar ze zich aan kun­nen op­trek­ken. Als je in je wijk enkel drugs­dea­lers en ar­moe­zaai­ers hebt, en je ou­ders zijn laag op­ge­leid of an­al­fa­beet, waar­aan moet je je­zelf dan op­trek­ken?’

‘De ar­beids­markt is nog zo’n struc­tu­reel pro­bleem. Hier is, hoe je het ook draait of keert, nog te veel dis­cri­mi­na­tie op de ar­beids­markt. Hoog­op­ge­lei­de pro­fie­len die naast het net vis­sen, niet om wat ze kun­nen, maar om wie ze zijn. Pas als we dat kun­nen af­wer­pen, zul­len we er als maat­schap­pij op voor­uit­gaan. Maar daar zijn we nog niet. En dus zien we ons ta­lent met al­loch­to­ne roots naar het bui­ten­land ver­dwij­nen. En als je al je ta­lent ziet ver­dwij­nen, waar blijf je dan mee over?’

‘Een be­leid dat deze ge­ken­de bron­nen van on­te­vre­den­heid aan­pakt, is de snel­ste weg naar het op­staan van een al­loch­to­ne mid­den­klas­se. En hoe snel­ler die er komt, hoe spoe­di­ger en ef­fi­ciënter we ra­di­ca­li­se­ring een halt toe kun­nen roe­pen.’

Frai­hi: ‘Die so­cio-eco­no­mi­sche fac­to­ren zijn heel erg be­lang­rijk. Maar het moet ook voor een stuk van de ge­meen­schap zelf komen. Waar­om heeft de mos­lim­ge­meen­schap het zo moei­lijk met kri­ti­sche zelf­re­flec­tie? Pas als je je­zelf ter dis­cus­sie kan stel­len, kan je je­zelf ook ver­be­te­ren.’

Zelfs als we onze struc­tu­ren op­ti­ma­li­se­ren, blijft er de in­vloed van bui­ten­af.

Gan­doul: ‘Klopt, we mogen de ge­o­po­li­tie­ke si­tu­a­tie niet uit het oog ver­lie­zen. Stel dat we met een bud­get­tair over­schot zaten, en we kun­nen ro­buus­te struc­tu­ren neer­zet­ten om onze pro­ble­men aan te pak­ken. Dan moet je nog al­tijd re­ke­ning hou­den met de in­for­ma­tie die van bui­ten­af komt. Er is geen gro­ter ver­gif dan het wa­ha­bi­ti­sche dis­cours uit Sau­di-Ara­bië.’

Frai­hi: ‘Ik hoor het u graag zeg­gen. Sau­di-Ara­bië is de ul­tie­me ver­gif­ti­ger van de gees­ten van mos­lims we­reld­wijd. Maar daar kan al­leen de po­li­tiek iets aan doen.’

Waar­om ge­beurt dat niet?

Frai­hi: ‘Han­dels­be­lan­gen. Geld. Zo een­vou­dig is het. We kun­nen hier blij­ven roe­pen dat we onze de­mo­cra­ti­sche wes­ter­se waar­den met hand en tand zul­len ver­de­di­gen. Maar dat zijn holle slo­gans zo­lang je geld boven prin­ci­pes plaatst. Ik heb geen enkel land horen vra­gen om een eco­no­mi­sche boy­cot tegen Sa­oe­di-Ara­bië. Hoe kan je in­ves­te­ren in een dera­di­ca­li­se­rings­pro­gram­ma, en te­ge­lijk dat land als je bond­ge­noot zien? We rol­len de rode loper uit voor het to­ta­li­tai­re den­ken van­uit het wa­ha­bis­me. Omdat er geen Eu­ro­pe­se islam die naam waar­dig is, is er een gat ge­val­len dat zij maar wat graag heb­ben in­ge­vuld met hun den­ken.’

Gan­doul: ‘Er is in de ge­schie­de­nis geen meer re­tro­gra­de ver­sie van de islam voort­ge­bracht dan het wa­ha­bis­me. Pure waan­zin. Maar die visie vindt wel zijn weg we­reld­wijd.’

U pleit er al lan­ger voor dat er een soort Eu­ro­pe­se islam moet komen. Waar­om is die er van­daag niet?

Gan­doul: ‘Ik ga hier even kort door de bocht. Maar de groot­ste fla­ter die België in dit debat heeft ge­maakt, is de of­fi­ciële er­ken­ning van de islam in de jaren ze­ven­tig. Op dat mo­ment had er een cor­pus van leer­krach­ten te­gen­over moe­ten staan, die van hier­uit, van­uit het Vlaam­se per­spec­tief, een in­vul­ling had moe­ten geven aan de re­li­gi­eu­ze tek­sten. Er was geen struc­tuur die de mos­lims kon mee­ne­men in het ver­haal dat Vlaan­de­ren heet. Die bij­voor­beeld kon uit­leg­gen dat de ont­voog­ding van de ka­tho­lie­ke kerk een harde strijd is ge­weest. Een mos­lim die dat be­seft, kan al wat meer be­grip op­bren­gen voor zijn buur­man die hef­tig re­a­geert op een hoofd­doek.’

‘Ik be­grijp dat de door­snee-Vla­ming geen zin heeft om het juk van de kerk in te rui­len voor dat van de islam. Maar dat ik daar be­grip voor kan op­bren­gen is ook maar omdat ik de keuze heb ge­maakt om me daar­in te ver­die­pen. Er is meer nood aan dat em­pa­thisch ver­mo­gen. Als je ruzie hebt met je vrouw, en je kan je niet in­le­ven in haar stand­punt, dan blijft er iets slui­me­ren. Het­zelf­de zien we nu in de maat­schap­pij. Al­leen kan het voor ons niet ein­di­gen in een echt­schei­ding, wat het Vlaams Be­lang ook be­weert.’

Heeft de islam zijn ver­lich­ting ge­mist, zoals soms wordt be­weerd?

Gan­doul: ‘Nee. Die ver­lich­ting was er al volop in de 12de eeuw. Wat we nu zien is post-ver­lich­ting. Het wa­ha­bis­me is een pro­tes­tant­se re­ac­tie op de mo­der­ni­se­ring van toen. Ver­lich­ting is ove­ri­gens geen ga­ran­tie op een einde van bar­ba­rij, laten we wel wezen. Mijn tante is van Jood­se ori­gi­ne, haar fa­mi­lie is ge­stor­ven in Auschwitz. Dat is ook na de ver­lich­ting ge­beurd.’

‘Er is wel een eeu­wi­ge nood aan een soort per­soon­lij­ke ver­lich­ting. Ie­der­een is een pro­duct van zijn eigen con­text. Als je elke dag van je ou­ders te horen krijgt dat Ma­rok­ka­nen ‘ma­kak­ken’ zijn of dat Joden de oor­zaak zijn van alle pro­ble­men, dan is het moei­lijk uit dat den­ken los te bre­ken. Het zou niet mogen, maar het is erg men­se­lijk om je kin­de­ren groot te bren­gen met een soort ge­ro­man­ti­seer­de, my­tho-his­to­ri­sche ver­sie van de ge­schie­de­nis.’

Dat de Sa­oe­di’s dat we­reld­wijd heb­ben geïntro­du­ceerd, maakt dat uw droom voor een mo­der­ne islam on­mo­ge­lijk? Ge­ma­tig­de mos­lims in pro­bleem­wij­ken wor­den van­daag soms af­ge­dreigd of uit­ge­slo­ten.

Gan­doul: ‘We heb­ben te veel luid­ruch­ti­ge py­ro­ma­nen in dit debat, ter­wijl we nood heb­ben aan brand­weer­lui. Die zijn er, ze vor­men zelfs de meer­der­heid. Ze wer­ken in de cou­lis­sen, leven ge­woon hun leven met res­pect voor el­kaar. Ze hou­den de maat­schap­pij samen. Maar we horen ze te wei­nig.’

‘Wie hoor je wel? De schreeu­wers. De idi­o­ten met lange baar­den, die moord en brand en drei­ge­men­ten schreeu­wen. Wel, het is tijd dat de stil­le meer­der­heid van brand­weer­lui mon­dig wordt. Dat ze dur­ven te zeg­gen: ‘Het is niet omdat jij met een baard tot op je knieën loopt dat je meer mos­lim bent dan ik. Het is niet omdat je Ara­bisch spreekt, dat je een be­te­re mos­lim bent.’ Maar even­goed: ‘Het is niet omdat jij blond bent en blau­we ogen hebt, dat je meer recht hebt op de Vlaam­se de­mo­cra­tie dan ik.’ Die re­flex is er nog te wei­nig. En omdat de massa stil is, klinkt de lok­roep van het ex­tre­mis­me luid.’

Frai­hi: ‘Dat pro­bleem be­staat al heel lang. De Ro­mei­nen zei­den al: ‘Mun­dus vult de­ci­pi.’ De we­reld wil be­dro­gen wor­den. En dus ver­troe­be­len we ons beeld lie­ver. Er is een grote onwil om de re­a­li­teit te zien. Ik dacht na Pa­rijs en Brus­sel dat we niet an­ders zou­den kun­nen dan struc­tu­reel in­grij­pen. Maar ver­der dan met het vin­ger­tje zwaai­en en alles in hok­jes stop­pen zijn we nog niet ge­raakt. Tus­sen het grote weg­kij­ken en het grote be­noe­men zat een soort nie­mands­land, een pe­ri­o­de van tien jaar waar­in ge­han­deld had kun­nen en moe­ten wor­den. Dat is niet ge­beurd.’

Hoe komt dat?

Frai­hi: ‘Dat is puur po­li­tiek op­por­tu­nis­me: men­sen be­kij­ken als kies­vee.’

Gan­doul: ‘Kies­vee. Dat woord vat alles samen: in­spe­len op het sen­ti­ment van een deel van de be­vol­king zon­der daar echt iets te­gen­over te plaat­sen. Dat ge­beurt even­goed voor niet-mos­lims, ove­ri­gens. Dat is het einde van de de­mo­cra­ti­sche rede, dat is pure de­ma­go­gie. Er is wei­nig gif­ti­ger dan dat. Hoed u voor sim­plis­men. Je kan com­plexe pro­ble­men nu een­maal niet sim­pel op­los­sen.’

U zei het al, na de aan­sla­gen in Pa­rijs en Brus­sel is er niet zo heel veel struc­tu­reels ge­beurd. Waren dat niet de ide­a­le ca­thar­sis­mo­men­ten?

Frai­hi: ‘Ik be­grijp niet waar­om Pa­rijs en Brus­sel ca­thar­sis­mo­men­ten zou­den moe­ten zijn. De brand­haar­den zijn er al heel lang, er waren al lang symp­to­men zicht­baar van wat zou komen. Dát had­den de mo­men­ten moe­ten zijn om te han­de­len.’

‘We moe­ten toch niet wach­ten op schok­the­ra­pie, op een vol­gen­de truck die zich in een kerst­markt boort. De re­a­li­teit is elke dag zicht­baar in klei­ne din­gen. Daar moe­ten we naar dur­ven te kij­ken. Ook bui­ten Eu­ro­pa. We wis­ten per­fect dat er gol­ven strij­ders zijn ver­trok­ken naar al­ler­lei fron­ten in het bui­ten­land, van Syrië over Tsjet­sje­nië tot Af­gha­nis­tan. Maar we zijn pas wak­ker ge­scho­ten toen het front naar Eu­ro­pa werd ver­legd.’

‘Het lijkt alsof we be­trok­ken­heid tonen als ter­reur zich voor­doet op Eu­ro­pe­se bodem. De ter­reur in de rest van de we­reld is een ver-van-mijn-bed­s­how. Tur­kije en Tu­ne­sië zijn dan plots ver weg. Maar voor een all-in­va­kan­tie zijn ze dat niet. We zou­den ons ook zon­der tour­ope­ra­tor ver­bon­den moe­ten voe­len met el­kaar.’

Bron: De Tijd


Wat zoudt ge zonder ’t werkvolk zijn?

Jaak Brepoels
Bespreking door Walter Lotens

wat_zoudt_ge_zonder_t_werkvolk_zijnDe arbeidersbeweging streefde aanvankelijk naar de maatschappelijke ontvoogding van de kleine man en vrouw die door het negentiende-eeuwse kapitalisme veroordeeld leken tot een armoedig bestaan. Dat dit ver achter ons ligt, is de verdienste van de arbeidersbeweging. Maar met de kennis van onze sociale geschiedenis is het povertjes gesteld. Alleen wie de jaren van sociale onzekerheid en schaarste aan den lijve gevoeld heeft, beseft welke strijd en inzet de welvaartsmaatschappij hebben doen ontstaan die we vandaag als vanzelfsprekend ervaren. Vandaar het belang van een overzichtelijke geschiedenis van de arbeidersbeweging. In 1977 bracht uitgeverij Kritak voor het eerst Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn? uit. Het boek groeide uit tot een standaardwerk. Zo veel jaren later baadt het land in een sfeer van sociale onrust, wat de vraag naar een update opnieuw doet rijzen. Deze nieuwe versie is geen herdruk, maar een volledig geactualiseerde uitgave. (2015) Het is geen nostalgische terugblik, maar een boek dat ook peilt naar de uitdagingen van vandaag. De politieke partijen die zich historisch beriepen op de verdediging van de kleine man liggen in de lappenmand, de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat kraken in hun voegen en in het verweer daartegen grijpen de vakbonden naar middelen die het niet altijd goed doen bij de publieke opinie. Net daarom is Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn? relevanter dan ooit. Historicus en voormalig leraar Jaak Brepoels is al sinds 1983 sp.a-gemeenteraadslid voor de stad Leuven en was van 1995 tot 2012 schepen. Enkele jaren geleden blikte hij met het boek Wij zijn de bouwers van een komende aarde terug op de geschiedenis van het socialisme in zijn stad.

Voor een interview met Jaak Brepoels zie: http://solidair.org/artikels/jaak-brepoels-wat-zoudt-gij-zonder-t-werkvolk-zijn


Mag ik even de onwetendheid over de Verlichting bestrijden?

tinneke-beeckmanTinneke Beeckman in De Standaard van 2/5/2016

‘Het is maar niets, die verlichting. Een vaag en gevaarlijk begrip, een retorische kneep van crypto-conservatieven en atheïstische scherpslijpers, van venijnige en tactisch bedreven politici die geloven dat de westerse cultuur superieur is maar dat niet durven te zeggen, van Robespierre-achtige, half-stalinistische maakbaarheidsfanatici, die schavotten willen oprichten voor andersdenkenden. Nu nog even verwijzen naar het ‘magistrale boek’ van Edward Saïd over racistisch eurocentrisme, naar de twee zinnen uit Adorno en Horkheimer’s Dialectiek van de verlichting over het verband tussen de verlichting en de Tweede Wereldoorlog, en passant mijn neus ophalen voor het werk van Elisabeth Badinter, nog een grappige quote, genre ‘het doet me aan buizenbelichting denken’, en ik heb mijn fantastische bijdrage aan het debat geleverd. Ik ben een tegendraadse intellectueel, het is nu officieel.’

Ja, zo eenvoudig kan het zijn in Vlaanderen: onwetendheid en vooroordelen troef zodra het over de verlichting gaat. Nochtans zijn heel wat vanzelfsprekende praktijken, rechten en visies ondenkbaar zonder het constructieve en baanbrekende werk van verlichtingsfilosofen.
Neem de gevoeligheid voor geweld: de verlichtingsideeën komen voort uit pogingen om burgeroorlogen, wreedheden, fanatiek geweld en individuele onmacht te beëindigen.

Neem de mogelijkheid om van geloof te veranderen, of het geloof te verlaten. Dat lijkt alledaags, maar is het absoluut niet.
De kern van de verlichting bevat dat elke mens zijn rede kan gebruiken om elk idee aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Geen enkel boek is heilig. Niet een geloof of de traditie bepalen op voorhand welke ideeën goed of fout zijn. Een burger mag denken wat hij wil, zeggen wat hij denkt en deelnemen aan de politieke besluitvorming. De enige beperking op die vrije meningsuiting betreft de aanzet tot haat en geweld in de publieke ruimte, en laster en eerroof tegenover burgers.

Neem de discussies over coalities en politieke partijen. Een democratische rechtsorde organiseert het politieke conflict: burgers hebben uiteenlopende ideeën over het algemene belang. Ze debatteren daarover, voeren campagne, en drukken hun stem uit. In een democratie is de plaats van de macht leeg: elke machtsaanspraak is voorwaardelijk en in de tijd beperkt. Niemand kan aanspraak maken op de absolute waarheid. De politiek is niet de inzet van een strijd om het ware geloof. Vrije verkiezingen beslissen welke vertegenwoordigers van de bevolking een project mogen uittekenen, op basis van een tijdelijke meerderheid. Geen dictator die eindeloos aan de macht blijft. Een rechtsorde beschermt ook de minderheid.

Maar liberale rechten en vrijheden veronderstellen dat alle burgers – meerderheid en minderheden – erkennen dat legitieme politieke macht door en voor de bevolking tot stand komt. Pas wanneer je het opgelegde idee afschaft dat de wereld geschapen zou zijn volgens een hiërarchie die door God is ingegeven – waarin profeten en gelovigen, machthebbers en onderdanen, mannen en vrouwen een vaste plek hebben – dan wordt politieke vrijheid mogelijk. Zo kan ieder streven naar geluk, verlost van de ketenen van een onveranderlijke orde.
Natuurlijk gaapt er een kloof tussen de idealen en de werkelijkheid. De Verklaring van de Rechten van de Mens heeft de slavernij, of onrecht tegen vrouwen niet meteen afgeschaft. Maar de idealen bevatten wel de noodzakelijke aanzet om zo’n onrecht uit de wereld te helpen. Kritisch onderzoek naar kolonialisme of totalitaire ideologieën maakt juist deel uit van het verlichtingsproject. De trage gang van de geschiedenis neemt het belang van het denkkader niet weg.

Vandaag de dag volstaat de verlichting niet om de complexe wereld te begrijpen, en de geschiedenis is enorm complex. Maar wie zelfs de verlichting niet voldoende begrijpt, kan haar simplistisch en foutief opzijschuiven. De ideeën van de verlichting hebben bewezen dat ze de vrijheid, vrede en welvaart bevorderen. We hebben dus alle redenen om die erfenis beter te beheren.

Bron: De Standaard


‘Jongeren worden in het onderwijs op levensbeschouwelijk vlak misleid’

patrick-loobuyckPatrick Loobuyck, professor levensbeschouwing aan de Universiteit Antwerpen.

‘In een land dat zo doordrongen is van godsdienstonderwijs blijkt niemand te weten wat er eigenlijk in de eerste boeken van de bijbel staat’, schrijft professor Patrick Loobuyck. ‘God keurt er genderongelijkheid, incest, verkrachting en geweld goed en draagt het joodse volk op om volkeren uit te moorden.’

Dimitri Verhulst heeft een nieuw boek: Bloedboek. Op zijn eigenste manier herschrijft hij er de eerste vijf boeken van het Oude Testament, ook wel de Pentateuch of joodse Thora genaamd. In de perspubliciteit legt Verhulst er sterk de nadruk op hoe slecht God is: Jahweh is een fascist, er is geen grotere mensenrechtenschender dan hem.

Delen
Jongeren worden in het onderwijs op levensbeschouwelijk vlak misleid
Grote woorden, maar inderdaad, God keurt er genderongelijkheid, incest, verkrachting en geweld goed en draagt het joodse volk op om volkeren uit te moorden. Wat opvalt, bijvoorbeeld bij zijn sappige uiteenzetting op Eén bij Van Gils en Gasten is dat de mensen rondom hem zo verbaasd reageren. In een land dat zo doordrongen is van godsdienstonderwijs blijkt niemand te weten wat er eigenlijk in de eerste boeken van de bijbel staat. Over de rest van de bijbel maak ik me ook weinig illusies – nochtans volgt in Vlaanderen meer dan tachtig procent van onze jongeren het vak rooms-katholieke godsdienst, twaalf jaar aan een stuk twee uur in de week.

Leerkrachten misleiden
“De leraren hebben ons misleid”, zo stelt Verhulst. En hij heeft voor de helft gelijk: jongeren worden op levensbeschouwelijk vlak in ons onderwijs inderdaad misleid – maar dat is niet zozeer de schuld van de leerkrachten maar van de handboeken, de leerplannen, én van de overheid die weigert om rond levensbeschouwelijke geletterdheid eindtermen te formuleren. Wie even tijd neemt om de handboeken rooms-katholieke godsdienst te bekijken bijvoorbeeld, ziet al snel dat religie en met name het christendom er zeer gefilterd wordt gepresenteerd. Enkel de positieve kanten worden belicht, maar dat godsdienst ook tot intolerantie en oorlog kan leiden, menselijke vrijheid kan fnuiken, op erg gespannen voet staat met de huidige wetenschappelijke bevindingen, gendergelijkheid miskent, onderdrukkend kan zijn, etc. , het wordt allemaal nauwelijks of niet gethematiseerd.
De Bijbelverhalen worden selectief gekozen in functie van het zingevingsverhaal waarin men de jongeren alsnog wil meenemen. Alles wat religie grondig bevraagt en in een moeilijk parket zou brengen wordt stelselmatig vermeden. Mogelijks gaat het er in de klas kritischer aan toe, dat zal wat afhangen van de godsdienstleerkrachten in kwestie, maar van de handboeken die gebaseerd zijn op het leerplan zal het niet komen. En of en hoe men gendergelijkheid, de verzen van het zwaard, de idee van een kalifaat en de sharia in de islamitische godsdienstles vermeldt, daar hebben we als buitenstaander al helemaal geen zicht of controle op.
We kunnen het de levensbeschouwelijke vakken eigenlijk niet eens kwalijk nemen. In België hebben de levensbeschouwingen immers het grondwettelijk recht om autonoom en zonder inspraak van buitenaf hun vakken in te richten, leerplannen te ontwikkelen, leerkrachten voor te dragen en te inspecteren. De scheiding tussen kerk en staat maakt dat we daar als overheid, als samenleving of als school verder geen controle op hebben. De levensbeschouwelijke vakken doen in principe wat ze zelf willen en staan op dat punt recht in hun schoenen.

Verantwoordelijkheid overheid
De overheid valt meer te verwijten. Onderwijs dient om jongeren te vormen tot autonome, kritische burgers en hiertoe is het de plicht van de overheid om te garanderen dat jongeren onze voorlopige beste kennis van hoe de wereld, de mens en de samenleving in elkaar steekt aangereikt krijgen. Wie op dat punt nalatig is, begaat in de woorden van John Stuart Mill een moral crime. Dit is de reden waarom we in België dan ook een leerplicht hebben en de bevoegde overheid eindtermen moet formuleren die iedereen zou moeten halen. In Vlaanderen doen we dat ook voor biologie, aardrijkskunde, talen, wiskunde, noem maar op … maar niet voor levensbeschouwelijke geletterdheid. Onbegrijpelijk.
Ik sluit me helemaal aan bij mijn Nederlandse collega’s die begin november 2015 een open brief hebben laten verschijnen in het NRC Handelsblad. Religiestudie is “essentieel om de wereld van de eenentwintigste eeuw te begrijpen. De leerlingen van nu zijn de diplomaten, politici en zakenlui van de toekomst. […] Inzicht in de verschillende vormen van de islam, jodendom en christendom is onontbeerlijk in een religieus pluriforme maatschappij. Kortom, bij de hedendaagse samenleving hoort goed religieonderwijs. Hiermee bedoelen we niet catechese of levensbeschouwelijke vorming. We zien een noodzaak voor kritisch, onafhankelijk onderwijs over religie.”

Vlaams Minister van onderwijs Hilde Crevits gaat de uitdaging aan om de eindtermen te evalueren en de herdenken. Er ligt hier en nu dan ook een momentum om eindtermen te formuleren die betrekking hebben op levensbeschouwelijke geletterdheid. Zoniet, ontloopt men zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de toekomstige generaties en ten aanzien van de samenleving. Jongeren hebben het recht om te leren wat we vanuit het perspectief van de religiestudie (niet) weten over de historische Jezus, over het ontstaan van de Koran, en over Mozes. Jongeren hebben het recht om te leren hoe levensbeschouwelijke tradities, teksten, wetten en voorschriften zich (vaak op gespannen voet) verhouden ten aanzien van wetenschappelijke inzichten, de mensenrechten en de liberale rechtsstaat. Al te vaak hoor ik mensen klagen dat moslims hun religieuze wet boven de politiek democratische wetten zouden plaatsen, en we hebben daarover ook onderzoek, maar wie heeft onze moslims ooit goed uitgelegd op welke manier een liberale democratie plaats maakt voor godsdienstbeleving en welke eisen religies in dat verband (niet) mogen stellen?

Mein Kampf
Religiestudie in het onderwijs verankeren kan in de toekomst ook vermijden dat de sympathieke Lieven Van Gils de eerste boeken van de Bijbel zomaar en zonder tegenspraak in verband brengt met de christenen, terwijl hij het over de joden had moeten hebben. Het kan mogelijk ook verhinderen dat de oudtestamentische boeken zomaar in prime time door een interessante auteur als Verhulst op een en dezelfde lijn met Mein Kampf kunnen gezet worden.
Het genre en de doelstelling van Mein Kampf en Thora zijn immers grondig verschillend: het eerste is een politiek ideologische tekst die het nazisme heeft geïnspireerd tot gruweldaden, het tweede is een opeenstapeling van vertelsels die geen enkele historische grond hebben en dienen om te verhalen hoe Jahweh het op mythisch-heroïsche wijze voor zijn volk heeft opgenomen. Het Oude Testament bevat heel wat geweld, maar dat geweld is in de joodse, laat staan in de christelijke traditie, niet normerend. Inzicht in hoe de heilige teksten zich (kunnen) verhouden ten aanzien van de religieuze beleving van mensen – ook dat is onderdeel van de broodnodige levensbeschouwelijke geletterdheid.

Bron: Knack


The Jazz Age (Arne Van Coillie – Tekst en internetlinks van 14/02/2016)

Inleiding

iuDe jaren ’20 van de vorige eeuw blijven tot de verbeelding spreken – en omdat er het komende decennium een hele hoop dingen één eeuw oud gaan worden, geloof ik dat die aandacht nog wel een tijdje zal blijven sluimeren.

Niet voor niets is dat grote eeuwfeest dat ons te wachten staat ingeluid door talloze herdenkingen van de eerste wereldoorlog: niet zelden komt een ‘window of opportunity’ (wat de Jazz Age wás) na het gewelddadig afsluiten van een vorige periode – de 19de eeuw. De ongeziene omvang van die wereldoorlog werd in de Europese kunsten aangevoeld als een failliet van de Europese beschaving zoals die voorafging, hetgeen leidde tot een ‘tabula rasa’aanpak, met exponenten als het dadaisme, het surrealisme, de écriture automatique, de atonaliteit van de Tweede Weense School.

In de Verenigde Staten vertaalde de beëindiging van WOI zich in het inluiden van The Jazz Age, en, voor de zwarte bevolking, in de zgn Harlem Renaissance, een opleving van de zwarte kunsten gecentraliseerd in het New Yorkse Harlem. Maar waar ‘The Jazz Age’, momenteel op grote affiches tegen Hasseltse muren, een concept is dat tot de verbeelding spreekt, is de muzikale invulling van die jaren twintig vaak een vage ver-van-ons-bedshow, waarbij zowat alles tussen 1900 en 1940 in de hoofden van de mensen steeds meer door elkaar begint te lopen. De recente Baz Luhrmanverfilming van ‘The Great Gatsby’ en de tegenwoordige invulling van het begrip ‘jazz’ helpen daar niet bij; nochtans gebeurden er in de jaren ’20 op het vlak van de ‘lichte muziek’ erg boeiende dingen.

Ik gebruik hier met opzet, als ik het over de muziek heb, niét de term jazz; wat nu in de geschiedenisboeken vermeld staat als ‘jazz’, was in de jaren ’20 allesbehalve een afgelijnd concept, maar een amalgaam van tegelijkertijd bestaande muziekstijlen (buiten de klassieke muziek). Een gedeelte daarvan noemen we nu jazz, een ander gedeelte noemen we blues, en een laatste gedeelte valt het best te omschrijven als ‘de popmuziek van toen’. Dat uitgerekend Paul Whiteman, een vertegenwoordiger van die laatste stroming, van zijn tijdgenoten de titel ‘King of Jazz’ meekreeg, vervult de traditionele jazzgeschiedschrijving zódanig met gruwel, dat de arme man van de weeromstuit vaak gereduceerd wordt tot een voetnoot – ook al zei Duke Ellington over hem: “Paul Whiteman was known as the King of Jazz, and no one as yet has come near carrying that title with more certainty and dignity.”

Daarom zou ik verderop willen proberen het muzieklandschap van toen op te hangen aan drie iconische figuren en ábsolute sterren: Bessie Smith en de blues, Louis Armstrong en de jazz, en Paul Whiteman en, bij gebrek aan een betere term, de pop.

De term jazz

De herkomst van het woord jazz is onduidelijk, maar men neemt aan dat het oorspronkelijk een slangaanduiding was voor van bil gaan (merk de parallel met swingers op). De connotatie verplaatste zich naar plezier hebben, the fast life, het uitgaansleven, pit, excitement, gaiety, en vanaf 1913 duikt de term vaak op in de sportpagina’s van de San Francisco Bulletin – als beschrijving van baseballslagen met net dat beetje meer, met een extra effect – met schwung. In die zin paste men het woord jazz toe op alle ‘wat heviger’ vormen van entertainment en leven – specifiek in de muziek maakte men vooral een onderscheid tussen sweet music en hot music.

Sweet music zouden we kunnen zien als een uitloopsel van de blanke klassieke lichte-muziektraditie: een uitvloeisel van de lijn opera-operette-musical (vb Marion Harris; het stuk groeide enkele jaren later uit tot ‘jazz standard’!). Die lijn werd gevoed door degelijk opgeleide klassieke muzikanten, meestal blank, en vaak vers uit Europa aangevoerd – hetzij als gewaardeerde (gast)muzikant, hetzij als immigrant met vaak joodse achtergrond (Irving Berlin, George Gershwin). Dit mag ons niet verbazen: het Amerikaanse culturele leven was rond 1900 volledig op Europa gericht (zelfs in 1939 nog bood slechts één op vijf Amerikaanse universiteiten een cursus Amerikaanse literatuur aan). Ook de zoektocht naar een eigen Amerikaans (klassieke) muziekaccent verliep zeer moeizaam: het waren Europese componisten die zich voor het eerst lieten inspireren door Afro-Amerikaanse invloeden (Ravel, 2de vioolsonate; Stravinsky, Ragtime), en de American Academy of Arts and Letters, pas opgericht in 1904, telde slechts één componist onder de leden (Edward McDowell).

Sweet musicians speelden met een klassieke toon, konden vlot noten lezen, waren getraind in het klassieke repertoire en orkestspel.

Hot soloist waren veelal autodidactische musici, vaak ook fakers genoemd. Zij speelden om den brode, speelden op het gehoor, en ontwikkelden vanuit dit prozaïsche startpunt een vermogen tot variatie en later improvisatie (wat je je probeert te herinneren tijdens het spelen, omdat je niet kan lezen, zal vanzelf geleidelijke veranderingen ondergaan). Het zijn vooral deze zogenaamde hot musicians die als voorlopers van onze huidige jazz gezien worden.

Het is zeker niet zo dat de verdeling tussen sweet en hot musicians samenviel met de scheidingslijn tussen blank en zwart, maar om binnen de toenmalige context evidente redenen waren blanke muzikanten vaak beter opgeleid.

Blues

Blues is oorspronkelijk volksmuziek; we kunnen de blues zien als een verzamelnaam voor manieren waarop de zwarte plattelandsbevolking haar veelal onbegeleide eenvoudige liedvormen fraseerde.

De manier waarop dat gebeurde op het platteland in het zuiden van de VS (Louisiana), was erg ‘primitief’ en Afrikaans getint. De Afrikaanse voorvaderlijke muziek was geen kunstmuziek, maar maakte deel uit van het dagelijkse leven: herhaling en eenvoudige vraag-antwoordstructuren hielpen het geheugen, intonatie en expressie waren eigen aan de ‘verteller’ van het verhaal (en niet aan een componist). De zanger wilde vooral een (eigen) boodschap op een zo expressief mogelijk manier overbrengen, zonder daarbij gebonden of gestoord te worden door de conventies van de (Europese) kunstmuziek.

W.C. Handy was een zwarte orkestleider – die rond 1900 in contact kwam met de blues, en blues ging noteren en verzamelen. Daarvoor was uiteraard codificatie nodig: om muziek uit te geven voor piano en/of orkest, moest die voorzien worden van maatstrepen, en moest ook de typische bluesintonatie in noten ‘gevangen’ worden. Dit deed Handy vanuit zijn klassieke achtergrond – en ook voor ‘klassieke’ instrumenten.

Dit vertaalde zich in een onverwachte reeks hits als de Memphis Blues, Beale Street Blues, en de St Louis Blues; die hits kwamen er eerst in de vorm van bladmuziek (tot ca. 1920 was live muziek zowat de énige muziek!), later op platen. W.C. Handy was één van de eerste succesvolle zwarte ondernemers – met een eigen publishing company. In 1920 nam Mamie Smith voor het label Okeh de allereerste blues op, Crazy Blues, – waarvan in de eerste maand maar liefst 75000 exemplaren verkocht werden! Blues werd big business – en het woord blues dook plots ook op in een hele hoop songtitels. (Merk op: de eerste zwarte platenmaatschappij, Black Swan (1921-1923), wilde, in het kader van de Harlem Renaissance, de zwarte bevolking vooral aanzetten tot het luisteren naar klassieke muziek, niet naar blues!!)

Zangeres Bessie Smith belichaamde die vroege blues als niemand anders: zij had de strafste (niet-klassieke) stem van die tijd (recente verfilming Bessie, met Queen Latifah in de hoofdrol), en was de best betaalde zwarte artieste. Smiths blues was kunstmuziek die erg veraf stond van de originele plattelandsblues: zij combineerde een erg zwarte, authentieke manier van blueszingen met de uitgebreide composities en begeleidingen van Handy en tijdgenoten.

Fragment uit clip: Fletcher Hendersonorkest, James P. Johnson, Hall Johnson Choir, dir. Dudley Murphy. 1929 – de eerste all-black movie. Men wilde de ‘zwarte cultuur’ zo positief en verfijnd mogelijk als ‘kunst’ presenteren – maar de blanke filmwereld Hollywood drukte wél zijn stempel op de thematiek: de hoofdrolspeelster krijgt een overspelige echtgenoot en een drankprobleem…

Jazz (hot music)

(Vooral) geboren in New Orleans – de traditionele ‘melting pot of nations’…

  • Typische bezetting afkomstig van marching bands: trompet, klarinet en trombone; banjo, blaasbas en slagwerk
  • Repertoire uit twee hoeken: volksmuziek en ‘fanfaremuziek’
  • Uiteindelijk in 1917 eerste jazzopname door de Original Dixieland Jass Band.
  • Onverwacht érg populair, snel (1916) naar Chicago en New York, in 1919-1920 al in Londen. Collectieve improvisatie was in die dagen de norm: alle blazers (om)speelden samen de melodie.

Solo’s waren in die begindagen niet meer dan ‘breaks’ van één of twee maten – tot er een muzikant opstond die zó veel beter werd dan zijn medemuzikanten, dat hij het verschijnsel ‘solo-improvisatie’ tot norm kon verheffen – dat was de jonge Louis Armstrong. De solo-improvisatie was nog vaak grondig voorbereid en deels ingestudeerd, maar evolueerde langzaam naar échte improvisatie.

Gevolg was ook dat de vorm waarover geïmproviseerd werd, langzaamaan eenvoudiger werd: als de klemtoon op compositie en arrangement ligt (de ‘fanfaretraditie’, de meerdelinge bluescomposities van Handy), is een complexe, meerdelige vorm een voordeel; als de klemtoon op improvisatie ligt, is een overzichtelijke, beheersbare (lied)vorm een voordeel.
Blues werd populair, maar ‘versimpelde’ vaak (in vergelijking met de composities van Handy en de songs van Bessie Smith) tot de twaalfmatige structuur die wij nu kennen. Rond 1925-26 schakelde Armstrong in zijn repertoire, als één van de eerste ‘echte’ jazzmuzikanten, ook steeds meer over op pophits van de dag: liedjes. Het repertoire van Tin Pan Alley, de musical- en songwereld van mensen als George Gershwin en Irving Berlin, werd de norm.

Armstrong was wél, als eerste echt grote improviserende solist, te gast bij orkesten allerlei, en zette mee het begrip ‘hot soloist’ op de kaart – in die mate dat veel ‘sweet’ orkesten ook één of twee ‘hot’ solisten aantrokken. Soms was die ‘hot’ solist zelfs een ‘faker’, die de orkestpartijen niet kon of hoefde mee te spelen; maar van de welopgeleide orkestmuzikanten, kon er vaak niemand een degelijke solo spelen…

Kijk bijvoorbeeld naar deze allereerste registratie van een liveconcert:
Armstrong in 1933 in Kopenhagen, als stersolist voor een kleine band.

‘Popmuziek’: Paul Whiteman en ‘sweet’ collega’s

Paul Whiteman werkte als altviolist in de symfonie-orkesten van Denver en San Francisco; tijdens WOI leidde hij een legerorkest. Daarna begon hij zijn eigen dansorkest, met als unieke insteek het combineren van de nieuwe, opwindende ‘hot’ klankkleuren met de grote verdienste van het symfonie-orkest: de compositie en het arrangement. Wat hem daarbij helemaal apart zette van andere orkesten die in dezelfde richting werkten (Isham Jones, Roger Wolfe Kahn, Jean Goldkette, Gus Arnheim), waren de grootte van zijn orkest enerzijds, en zijn expliciete ambitie om de nieuwe ‘lichte muziek’ naar een hoger niveau te tillen: ‘to take jazz, and dress her up like a lady’. Dat legde hem geen windeieren: in 1922 al had hij de nominale leiding van 28 orkesten, en een jaarinkomen van meer dan één miljoen dollar.

Zijn eretitel ‘King of Jazz’ wordt hem niet in dank afgenomen, maar verdedigers van Whiteman wijzen er telkens opnieuw op dat hij zich die titel niet zelf heeft toegeëigend, dat hij altijd geïnvesteerd heeft in de beste jazzsolisten voor zijn orkest, en dat hij zelfs regelmatig met toonaangevende zwarte muzikanten werkte (Billie Holiday, Fletcher Henderson, Paul Robeson). Collega-muzikanten die wél ‘echte jazz’ speelden, staken hun bewondering voor zijn orkest niet onder stoelen of banken; anderzijds heeft Whiteman nooit verhuld waar zijn inspiratiebronnen lagen.
De ‘hot soloists’ die Whiteman vast engageerde, waren blank (zo was dat toen). Dat betekende niet dat het geen ‘echte’ jazzmuzikanten waren: steeds meer blanke teenagers luisterden in de jaren twintig naar jazz, vaak clandestien: hot jazz was voor een stuk de protestmuziek van die generatie, zoals rock en punk dat waren voor latere generaties. Topsolist Bix Beiderbecke, de eerste grote blanke jazztrompettist, was daarvan een voorbeeld.

Paul Whiteman investeerde ook in jonge kunstenaars; voor zijn eerste groot concert in Aeolian Hall in 1924 bestelde hij een nieuw werk van George Gershwin (toen 26), die zichzelf een plaats probeerde te geven tussen musical, song, en klassieke muziek. Dat werd de Rhapsody in Blue, te bekijken in de film King of Jazz, over en met het orkest van Whiteman, uit 1930.

Enkele conclusies:

  • Het is historisch fout om de muziek van ‘the jazz age’ te vereenzelvigen met wat we tegenwoordig jazz noemen; het is zelfs fout om de muziek van toen te vereenzelvigen met wat nu algemeen beschouwd wordt als de voorloper van de jazz van nu.
  • Traditioneel wordt de zgn ‘hot music’ van toen als voorloper van de jazz gezien, de ‘sweet music’ wordt tegenwoordig veelal als ‘fout’ en gedateerd ervaren. Door dat te doen verliezen we een hoop mooie en goede muziek, die op een muziektechnisch hoog niveau gebracht werd door oprechte kunstenaars. Daarom huiver ik een beetje als ik het woord ‘pop’ gebruik als ik het over Paul Whiteman heb: Paul Whiteman is onmogelijk in dezelfde categorie onder te brengen als de K3’s van nu.
  • Het is fout om ‘hot’ en ‘sweet’ gelijk te stellen met ‘zwart’ en ‘blank’: een groot deel van de zwarte bevolking hield heel erg van ‘sweet music’, en een klein, avontuurlijk deel van de blanke bevolking hield erg van het exotische, de directheid, de ongeremde emotionaliteit, het ‘verbodenvrucht-gehalte’ van ‘hot music’.
  • We mogen niet uit het oog verliezen dat slechts 10% van de Amerikaanse bevolking in 1920 Afro-Amerikaans was (al waren er erg grote regionale verschillen); Whiteman ontleent veel legitimiteit van zijn eretitel ‘King of Jazz’ aan het feit dat vrijwel de hele blanke bevolking zijn muziek nu eenmaal identificeerde met ‘jazz’: blanke Amerikanen kochten blanke muziek in dito platenwinkels, en gingen dansen in blanke dance halls. Dat is een droge, onromantische doch feitelijke vaststelling.
  • Grenzen die wij tegenwoordig graag zouden zien, vanuit een drang tot vereenvoudigen en dus begrijpen van de (muziek)geschiedenis, bestonden in de jaren twintig véél minder:
    • Duke Ellington (zwart) was fan van Paul Whiteman (blank), die af en toe arrangementen bestelde bij Fletcher Henderson (zwart).
    • Armstrong begeleidde Bessie Smith; er was in 1925 geen fundamenteel verschil tussen de ‘jazz’ van Satchmo en de ‘blues’ van Bessie. Blues en jazz waren beiden ‘hot’.
    • Gershwin (afstammend van Europese joden) componeerde veelal songs, niet bedoeld om over te improviseren. Toch zijn zijn stukken nog altijd basisgrondstof voor jazzmuzikanten wereldwijd.
    • Bix Beiderbecke, ‘hot’ trompetsolist van Paul Whiteman, was autodidact en kon geen noten lezen, maar componeerde pianostukken die krioelden van de heletoonstoonladders, een typisch kenmerk van impressionistische klassieke muziek.
    • Het blanke orkest van Guy Lombardo schijnt erg goede ‘hot jazz’ gespeeld te hebben, en de zwarte Fletcher Henderson was erg trots op zijn walsmedleys; beiden echter mochten dat gedeelte van hun repertoire niet opnemen, omdat die muziek niet marktconform genoeg was volgens hun platenbazen…

Luister dus zélf naar ‘alle’ lichte muziek uit de jaren twintig – en ontdek er veel moois… Veel plezier!


Deze 6 symptomen helpen u een beroerte te herkennen

BeroerteJaarlijks krijgen 25.000 Belgen een beroerte. Daarbij is het cruciaal om snel te handelen om zo hersenbeschadiging te beperken. Zes mogelijke symptomen op een rij.

Op Wereld Beroerte Dag, 29 oktober, wil het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) de bevolking sensibiliseren rond de symptomen en de aanpak van een beroerte. Jaarlijks krijgen in België 25.000 mensen een beroerte of CVA.

Bij een beroerte ontstaat er een plotse verstoring van de doorbloeding in de hersenen. De meest voorkomende vorm is een herseninfarct, waarbij een bloedklonter de bloedtoevoer naar een deel van de hersenen blokkeert. Bij een hersenbloeding ontstaat er een scheur in een hersenbloedvat.

Ongeveer 15 % van de patiënten overleeft een beroerte niet. Daarmee is het in onze samenleving de derde belangrijkste doodsoorzaak .Ongeveer de helft van de patiënten overlijdt bovendien binnen het eerste jaar nadat zij een beroerte kregen en zij die wel overleven houden hier vaak beperkingen aan over. Dat kan gaan van halfzijdige verlamming of taalproblemen tot gezichtsstoornissen of geheugenverlies. Door revalidatie kunnen patiënten wel een deel van hun mogelijkheden herwinnen.

Hoe een beroerte herkennen?

Bij een beroerte is het cruciaal om snel te handelen om zo hersenbeschadiging te kunnen beperken. Daarom zet het UZ zes mogelijke symptomen van een beroerte op een rij:

  1. Plotse verlamming van een arm en/of been, aan één kant van het lichaam
  2. Scheef hangende mond
  3. Verminderd gezichtsveld of dubbelzicht
  4. Niet meer kunnen spreken of articuleren
  5. Geen taal begrijpen
  6. Coördinatieproblemen of dronkenmansgang

Bij het vermoeden van een beroerte moet u onmiddellijk de hulpdiensten op 112 verwittigen. Want een vroegtijdige behandeling kan de gevolgen van een beroerte beperken.

Hoe een beroerte voorkomen?

Zoals bij alle ziektes is voorkomen belangrijker. Beroertes zijn in 80 procent van de gevallen te vermijden. Een verhoogde bloeddruk is de belangrijkste risicofactor voor een beroerte.

  1. Laat uw bloeddruk regelmatig controleren
  2. Eet gezond
  3. Beweeg voldoende
  4. Rook niet
  5. Vermijd overgewicht
  6. Verlaag uw cholesterol
  7. Verlaag uw bloedsuikerspiegel

Bron: Knack


De Congolese vrouwenarts en mensenrechtenactivist Denis Mukwege (59) wint de prestigieuze Sacharovprijs voor de vrijheid van denken

Deze prijs wordt jaarlijks door het Europees Parlement uitgereikt. Op 26 november 2014 zal Dr. Mukwege de prijs in Straatsburg in ontvangst nemen. In 2008 ontving hij al de Olof Palme-prijs en de Prijs voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties. Datzelfde jaar werd hij door de Nigeriaanse krant Daily Trust uitgeroepen tot Afrikaan van het jaar. In 2011 kreeg hij de Koning Boudewijnprijs voor Ontwikkelingswerk.

Hieronder kunt u het verslag van het gesprek lezen dat Gie Goris, hoofdredacteur van het tijdschrift MO*, in mei 2011 met Dr Mukwege had.

Dr. Denis Mukwege ontvangt Koning Boudewijnprijs voor Ontwikkelingswerk

MukwegeDe Internationale Koning Boudewijnprijs voor Ontwikkelingswerk 2010-2011 wordt vandaag (dinsdag 24 mei) officieel toegekend aan Dr. Denis Mukwege uit Zuid-Kivu, Democratische Republiek Congo. MO* sprak zondagavond met de laureaat, die gelooft dat het seksueel geweld deel uitmaakt van een internationaal gevecht om de bodemrijkdommen van Congo.

 

De Koning Boudewijnstichting zegt in haar mededeling dat dr. Mukwege die prestigieuze prijs (ter waarde van 150.000 euro) krijgt ‘omdat hij duizenden vrouwen die het slachtoffer zijn geweest van seksueel geweld, hun waardigheid heeft teruggegeven dankzij medische verzorging en sociale ondersteuning; voor zijn toewijding en zijn bijdrage tot het uitbouwen van een geïntegreerd systeem van gezondheidszorg in Oost-Congo; en voor zijn diepgaand engagement voor zijn geboorteland waar hij onvermoeibaar opkomt voor vrede in een streek waar terreur en angst de ziel van de maatschappij vernietigen.’

Dr. Mukwege is zondag aangekomen in Brussel, na een lange reis over Bujumbura. Hij is nog een beetje beduusd als we hem spreken, al blijkt achter de wat schuchtere man een gedreven geneesheer en burger schuil te gaan, die heel duidelijke meningen heeft over de problemen waarmee hij dagelijks geconfronteerd wordt. Die dagelijkse realiteit is voor dr. Mukwege zijn werk in het Panzi ziekenhuis, in Bukavu, de hoofdstad van de provincie Zuid-Kivu. ‘In deze door oorlog verscheurde regio zijn de laatste 16 jaar naar schatting 5 miljoen mensen om het leven gekomen’, zegt de persmededeling van de KBS. ‘Bovendien werden honderdduizenden vrouwen verkracht of brutaal verminkt. Verkrachting, foltering en verminking zijn er schering en inslag, in een omgeving waar rebellentroepen trachten terreur en angst te zaaien om zones die rijk zijn aan mijnrijkdommen in te nemen.’

Culturele genocide

De voorbije week maakten Amerikaanse onderzoekers bekend dat volgens hun berekeningen er elk uur 48 vrouwen verkracht zouden worden in Congo. Dr. Mukwege weet niet meteen wat hij aan moet met zo’n onderzoek. Voor mij zijn het niet de getallen die ertoe doen, zegt hij, maar de vrouwen. Elke vrouw die verkracht is, is letterlijk en figuurlijk geschonden. Haar leven is verscheurd en de ingrepen die wij kunnen doen, zijn maar een kleine bijdrage in het herstellen van hun waardigheid en hun kansen op een menswaardig leven. Elke dag staan die vrouwen op zijn stoep. In rijen te wachten om geholpen te worden. Heel vaak komen ze niet meteen nadat ze slachtoffer werden van seksueel geweld. De eerste reactie is: als niemand het gezien heeft, hoef ik het ook niet te zeggen. Het is pas als er bijkomende klachten zijn door de brutaliteit van het geweld of als er een zwangerschap uit voortkomt, dat wij de vrouwen zien.

De zorg voor de slachtoffers zou verder moeten gaan dan louter chirurgische zorg, vind dr. Mukwege. Het is moeilijk om je voor te stellen wat de impact is van het seksueel geweld dat echt als een oorlogswapen gebruikt wordt. Vrouwen worden verkracht in het bijzijn van hun echtgenoot en kinderen. Meisjes worden verkracht voor de ogen van hun vader en moeder. We hebben dan ook niet alleen hulp nodig voor de meisjes en de vrouwen, maar voor de hele gemeenschap. Hoe moeten mannen omgaan met de vernedering die ook hen aangedaan wordt? Zeker als het over de verkrachting van zijn dochter gaat, schiet er niets over van de beschermende rol die een vader heeft. Hij is ontmand door het verkrachten van zijn dochter of vrouw, en de hele familie wordt uit elkaar gerukt. Vrouwen worden verstoten, vaders worden suicidaal en kinderen die getuige waren moeten dat alles verwerken zonder enige vorm van begeleiding. Geen wonder dat de gemeenschappen verbrokkelen.

De cultuur van mensen wordt vernietigd en er is niemand meer die als behoeder van de traditie of culturele waarden kan optreden. Zelfs nonnen worden verkracht en de vrouwen van de pastors zijn ook niet veilig, zucht dr. Mukwege. Die culturele genocide dient een duidelijk doel: het platteland leegmaken, zodat de macht er overgenomen kan worden door nieuwe groepen. En dat alles om greep te krijgen op de bodemschatten van Oost-Congo. De grondstoffen van Congo zijn geen natuurlijke rijkdommen maar natuurlijke vervloekingen.

Oplossingen

Een oplossing voor het geweld is niet makkelijk te vinden, dat weet dr. Mukwege maar al te goed. De eerste stap naar een bescherming van de vrouwen van de regio, ligt in het organiseren van een echt leger. Met soldaten die opgeleid zijn om de burgers te beschermen en met officieren die de centrale staat gehoorzamen–gesteld dat die duidelijke bevelen ter bescherming van de mensen zou uitvaardigen. Vandaag is het Congolese leger een samenraapsel van opstandelingen en milities, kortom van jongens die geleerd hebben dat een wapen macht en inkomen geeft. Hun aanwezigheid in de steden heeft het seksueel geweld niet verhinderd of verminderd, maar juist verspreid tot in wijken die zich ver van het gewapend conflict bevinden.

Maar een echte oplossing van het geweld in Oost-Congo is maar mogelijk als de buurlanden zich er mee achter scharen, zegt dr. Mukwege. Rwanda, Burundi en Oeganda zijn betrokken partij, al was het maar omdat sommige van de gewapende groepen zich op hun grondgebied terugtrekken en organiseren. Er zijn ook de economische belangen die spelen. Rwanda is de belangrijkste exporteur van casseriet, maar die grondstof bevindt zich helemaal niet in de Rwandese ondergrond, wel in Congo. Als de internationale gemeenschap zich uitdrukkelijker met dat probleem zou bezighouden, dan zou de stimulans om het conflict gaande te houden makkelijk ingeperkt kunnen worden. Dr. Mukwege beseft dat de situatie er niet eenvoudiger op wordt met de creatie van een nieuwe, zwakke staat in Zuid-Soedan. Als Zuid-Soedan er niet in slaagt effectief controle uit te oefenen op zijn hele grondgebied, zoals de Congolese staat niet echt heerst over het Congolese grondgebied, dan dreigt de instabiliteit van de regio nog eens met jaren verlengd te worden.

Internationale erkenning

De Internationale Koning Boudewijnprijs voor Ontwikkelingswerk is niet de eerste internationale erkenning die dr. Mukwege krijgt voor zijn werk en dat van zijn team van 260 mensen, waaronder 34 artsen. In 2008 ontving hij zowel de Olof Palme-prijs als de Prijs voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties. Datzelfde jaar werd hij door de Nigeriaanse krant Daily Trust uitgeroepen tot Afrikaan van het jaar. Bij die gelegenheid benadrukte Salim Ahmed Salim, de vroegere Premier van Tanzania en voormalig secretaris-generaal van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid–vandaag de Afrikaanse Unie–dat het optreden van Dr. Mukwege ook zijn eigen leven in gevaar kan brengen.

Maar de Koning Boudewijnprijs is toch bijzonder, zegt dr. Mukwege. De vorige onderscheidingen werden volledig doodgezwegen in de Congolese media. Het was alsof men de erkenning niet wou vermelden omdat men de schande van de realiteit niet onder ogen wou zien. Maar ditmaal is dat anders. De beslissing van de Koning Boudewijnstichting werd mij overgemaakt door de vrouw van president Kabila en het was ook meteen nieuws op tv. Ik hoop dan ook van harte dat de overheid niet alleen de vreugde voor de prijsafkomstig van een stichting die verbonden is met het Belgische koningshuisdeelt, maar dat men ook echt iets zal doen aan het probleem van wetteloosheid en het daaruit voortkomende geweld.

Gie Goris, MO*-hoofdredacteur, 24 mei 2011. Gie Goris maakte deel uit van de jury die dr. Mukwege de Koning Boudewijnprijs de toekende.

Bron: MO*


Welke toekomst voor het humanisme?

door Jurgen Slembrouck

Jurgen SlembrouckOnze samenleving bevindt zich in een crisis die betrekking heeft op de kern van het samenleven zelf. Namelijk de waarden en de kennis die we geacht worden met elkaar te delen om dit samenleven mogelijk te maken en in het beste geval richting te geven. Onze ‘Westerse’ waarden zijn in belangrijke mate bepaald door de Verlichting. Een periode gekenmerkt door een sterk geloof in een maakbare samenleving waarin vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid hand in hand gaan en waarbij sociale, morele, economische en politieke ontvoogding als hefboom dienden voor persoonlijk geluk en ontwikkeling. Een ambitieus project gevoed door de afkeer van godsdienstige terreur en aangevuurd door de ontdekking van de wetenschappelijke methode. Een methode die hypothesen toetst door middel van experimenten en die tot (meer) betrouwbare kennis leidt.

Deze samenlevingscrisis komt vooral in stedelijke gebieden aan de oppervlakte. Daar waar de concentratie van andere culturen en dus van vreemde waarden en opvattingen groot is. Niet zelden worden deze waarden binnen een godsdienstig kader gethematiseerd. Voornamelijk, maar niet uitsluitend, vanuit ‘Islamitische’ zingevingkaders worden de Verlichtingsidealen kritisch bevraagd en uitgedaagd. Men betwist de reikwijdte van de menselijke autonomie en bij uitbreiding de mogelijkheid om de samenleving naar eigen inzicht vorm te geven. In de plaats bepleit men de onderwerping aan een goddelijk gezag als basis voor moraliteit en als fundament voor de maatschappelijke ordening. Het is dan ook in deze stedelijke context dat de oproep om de eigen ‘Westerse’ waarden te verdedigen, te actualiseren, te herontdekken,… het luidst klinkt. Al te makkelijk overigens wordt deze oproep als extreemrechts bestempeld, terwijl ze lang niet altijd gefundeerd wordt door een etnische bloed-en-bodem-retoriek.

Ook de recente economische en ecologische problemen hebben het debat doen opschuiven naar het morele fundament van ons handelen. Met het oog op winstmaximalisatie wordt in de consumptiemaatschappij de menselijke behoeftigheid steeds opnieuw geprikkeld en laat men uitschijnen dat het menselijke geluk gelegen is in de bevrediging van die behoeften. Maar de natuurlijke bronnen waarvan deze consumptie afhankelijk is, zijn eindig en een duurzaam gebruik ervan noopt misschien eerder tot matiging of zelfs onthouding. Draagt een redelijke overweging van de eigen behoeftigheid niet meer bij tot het geluk? En hoe kunnen we een consumptiepatroon dat manifest ten koste gaat van medemens en natuur, blijven rechtvaardigen?

Wereldbeeld CopernicusBovendien staan waarden nooit op zichzelf maar zijn ze verankerd in ons mens- en wereldbeeld. Ook dat mens- en wereldbeeld staat onder druk. Solide wetenschappelijke theorieën worden betwist, niet omdat ze in strijd zouden zijn met andere wetenschappelijke bevindingen, maar omdat ze niet sporen met religieuze opvattingen of economische doelstellingen. Ook het onderwijs, dat geacht wordt om de waarden- en kennisoverdracht mee te verzorgen, komt door deze vastgestelde malaise in het vizier. Was het onderwijs niet al te lang en te exclusief gericht was op kennisreproductie en heeft men zich voldoende bekommerd om de waarden die het hele pedagogische project schragen?

De samenlevingsproblemen, de godsdienstige heropleving, het consumentisme, de mogelijke ecologische catastrofe en het statuut van wetenschappelijke kennis maken pijnlijk duidelijk dat we in een roes van Verlichtingstriomfalisme, een aantal belangrijke terreinen braak hebben laten liggen. Commerciële en godsdienstige invullingen van het goede leven wonnen aan geloofwaardigheid. Morele dociliteit en obscurantisme kregen daardoor meer speelruimte dan hen toekomt. Vrijzinnig humanistische alternatieven voor de vastgestelde maatschappelijke en existentiële uitdagingen bleven onderbelicht of erger nog, werden niet geformuleerd.
In een tijd die ontzuild heet te zijn en waar ‘levensbeschouwing’ doet denken aan iets uit ‘de tijd van toen’, stelt de vraag naar de toekomst van het vrijzinnig humanisme zich scherper dan ooit tevoren. Het is de hoogste tijd om het vrije denken, de morele autonomie, de scheiding van kerk en staat te herontdekken en vorm te geven. We moeten het commerciële en godsdienstige mensbeeld, waarin de behoeftigheid en de onderwerping centraal staan, blijvend in vraag stellen en pleiten voor een humanistisch meesterschap waarin duurzaamheid, zelfbeschikking en medemenselijkheid hand in hand gaan. De idealen die ons dierbaar zijn en die wezenlijk zijn voor onze ‘westerse’ samenlevingsvorm, zullen immers niet vanzelf worden verkozen of omarmd.

Bron: liberales.be.